boomstructuur: startpagina >
AZ-index > artikelindex S > artikel


Sint-Gaugericus

Parochie Pamel
 
Opgedeeld in twee grote perioden: voor en na 1843
1843: de laatste witheer-pastoor overlijdt en de eerste seculiere pastoor wordt aangesteld.

1. - 1843

1.1. Volgens een eeuwenoude overlevering stond er eind 6e eeuw in Pamel al een kapel toegewijd aan de Goddelijke Verlosser of Sint-Salvator (1). Evenwel is zeker dat in 1260 Sint-Gaugericus de patroon van het ‘altare' was. In 1573/1592 echter was volgens decanale verslagen het hoofdaltaar toegewijd aan Sint-Laurentius, in 1593 werd dan weer Sint-Gaugericus aangegeven en in het begin van de 17e eeuw vermeldde de abt van Ninove beiden naast elkaar. Daarna overtroefde Sint-Laurentius te Pamel Sint-Gaugericus duidelijk in populariteit, maar deze laatste bleef toch patroon van de parochie.
 

Sint-Laurentius met het rooster averechts in de hand
foto 2013

1.2. * Ook al is er sprake van een bidplaats eind 6e eeuw, toch is het aannemelijker, gezien de verbreiding van het christianisme in onze streken, dat de parochie Pamel pas vorm kreeg in de 8e eeuw/begin 9e eeuw.
Nog in de 12e eeuw beheerden de heren van Ledeberg in Pamel de goederen van de kerk en stelden zij de bedienaar aan. Daaraan kwam pas een einde toen in 1179 de bisschop van Kamerijk de abdij van Ninove begiftigde met de kerk van Pamel (en met de kapel van Ledeberg) en toen in 1182 Wouter van Ledeberg werd verplicht de voorrechten van 'zijn Eigenkerk’ af te staan.
* Door die schenkingsakte:
- werd de abt collator of kerkheer die de pastoors en later ook de onderpastoors benoemde. Maar nog tot rond 1250 werd de parochie bediend door wereldlijke geestelijken, pas daarna waren de pastoors/onderpastoors norbertijnen of witheren aangesteld door de abt. (2) Ook behielden de heren van Ledeberg/Pamel toch nog het begevingsrecht van de kosterie in de kerk van Pamel.
- kreeg de abdij recht op de parochietienden. Maar de jaren nadien waren er hieromtrent toch nog verschillende betwistingen tussen de heren van Ledeberg en de abdij, met enkele compromissen tot gevolg.
De schenkingsakte van 1179 stipuleerde ook dat de kerk van Pamel ‘ecclesia matrix’ van de kapel op Ledeberg was. Bovendien was de kerk van Pamel ook moederkerk van de kapelanie Sint-Salvador, met kapel naast de kerk of ermee verbonden (?). Ook de kapelanie van de hofkapel te Riehove (3) was afhankelijk van de kerk van Pamel. Deze afhankelijkheid van de moederkerk hield o.a. in dat doopsels, huwelijken, begrafenissen, … alleen konden doorgaan in de kerk aan de Dender!
* De abt bezocht geregeld de parochie en vergewiste zich van de toestand waarin kerk en pastorie verkeerden; hij interesseerde zich voor de misgewaden, voor de handel en wandel van de onderpastoor, zelfs voor de orde en netheid in de pastorie. In zijn dagboek schreef abt Joannas De Neve (Nevius): Op 31 augustus 1666 ‘visiteerde ik E.H. pastoor van Pamel en zijn confrater. Ik schreef enkele zaken voor ...’
* De parochie strekte zich uit over gans Pamel. Weleer omvatte ze ook een strook over de Dender, waar o.a. de bewoners van het hof te Riehove parochianen waren van de kerk van Pamel.
 

1.3.1. Pastoors
1179: Willelmus, ‘presbyter (priester, pastoor) de Pamela’ (4) Mogelijk was hij er al vóór 1179 pastoor (5) en werd hij in 1179 door de bisschop van Kamerijk in zijn ambt bevestigd. Vermoedelijk was hij dus geen norbertijn. (6) Toch was hij de abdij genegen want in 1197 kocht hij twee ‘mansi’ (huizen) en een ‘hofstat’ dicht bij de kerk en schonk alles aan de abdij. Als getuige werd hij ook vermeld in 1182, 1184, 1188 en telkens ook als 'presbyter of sacerdos de Pamela'.
Opmerkelijk, in 1184 was Willelmus samen met Reinerus de Pamela getuige en werden beiden vermeld als ‘presbyter’. Dus een tweede priester te Pamel! Verbonden aan de Sint-Salvatorkapelanie? aan de kapel op Ledeberg? Rond 1240 waren ‘Willelmus de Pamela et Sygerus’ getuigen en werden vermeld als ‘sacerdotes’. Dus opnieuw twee priesters, maar  waarschijnlijk niet meer dezelfde Willelmus. (4) (7)
1260: Razo ‘vir religiosus frater Razo, curatum de Pamela et canonicum Ninivensis’, dus pastoor te Pamel, norbertijn van de abdij van Ninove. Vermeld naar aanleiding van een geschil met het Sint-Jansgasthuis over de novale tienden.

Voortaan waren alle pastoors norbertijnen of witheren van de abdij van Ninove, tot 1843.
Pamel was een van de grotere parochies van de abdij en deze stelde er dan ook vaak persoonlijkheden aan als pastoor. Sommigen hadden in Leuven gestudeerd en voerden een titel, velen zijn prior geweest in de abdij of werden nadien pastoor te Ninove. Een paar waren zelfs lector in het buitenland. (8)

1267: ‘Johannes, presbyter de Pamela, canonicus Ninivensis’, vermeld als ondertekenaar van een verkoopakte.
1299: Petrus de Geraldimonte (Van Geraardsbergen)
Hij was toen eerste getuige bij de stichting van een jaargetijde in de kerk van Pamel door 'dominus Johannes de Pamela', voor hemzelf, zijn vrouw en zijn ouders. (4)
1450: Van den Eynde Jan (9)
1550: Van der Borght Pieter/Petrus de Castro
23/11/1643 - 1652: Van Elshout Godefridus
1665 - 29/12/1676: Cambier Hiëronymus, liet het kerkschip volledig vernieuwen: '23 febr. 1667 Posita sunt nova fundamenta navis Ecclesiae Pamelensis' (10).
1677 - 17/12/1692: Mehauden Joannes Baptista
dec. 1692 - 23/7/1712: Vanden Poele Fredericus
juli 1712 - 13/11/1715: Mencke Vigilius Albertus/Ludovicus Maria
18/11/1715 - mei 1741: De Craene Guillielmus
mei 1741 - 15/12/1743: Hu(eb)ens Ambrosius/Hieronymus
15/12/1743 - 30/4/1746: De Pape Carolus/Augustinus
30/4/1746 - 14/7/1751: De Poorter Joannes Franciscus/Remigius, richtte de Broederschap van de H. Laurentius op.
juli 1751 - 11/10/1751: Uyttenhove Joannes
30/11/1751 - 25/11/1756: Eloy Bartholomeus
dec. 1756 - dec. 1761: Goethals Petrus/Josephus
30/12/1761 - 17/8/1781: Matthé Cyprianus
1808 - 1843: Van Roy Petrus/Justus, laatste witheer-pastoor.

Om in hun onderhoud beter te kunnen voorzien, bebouwden de pastoors, zeker tot het midden van de 18e eeuw, een aantal gronden; soms pachtten ze ook van de abdij. Niet verwonderlijk dus dat er sprake was van het hof van de pastoor, van zijn varkens, zijn schuur, zijn ‘hoymeysens’ of zijn paardeknechten. (8)

1.3.2. Onderpastoors
Het is moeilijk te zeggen van wanneer er in Pamel een onderpastoor resideerde. Waarschijnlijk woonde de kapelaan van Ledeberg, ook een norbertijn, al van in de 15e eeuw in de Pamelse pastorie. Vanaf de 16e eeuw was er zeker een residerend onderpastoor in Pamel, die vicarius of vicepastoor werd genoemd. Wellicht fungeerden zij (officieel) tot in de 18e eeuw als kapelaan op Ledeberg en bedienden zij te Pamel de kapelanie van Sint-Salvator.

1692 - 1698: Cuerens Nicolas
16/9/1715 - 10/8/1717: Berghs Herman Jozef
10/8/1717 - 4/6/1722: Vanden Bogaert/Bogaerden Gregorius
20/6/1746 - jan. 1751: Eloy Bartholomeus
24/1/1751 - 1/8/1754: Godefroid Franciscus/Livinus
aug. 1754 - maart 1756: Matthé Cyprianus
1802/1803 - 1808: Van Roy Petrus/Justus
1821 - 1857: Semael Claudius

1.3.3. Kosters
ca. 1450: Bosschaert Gielis, 'costere te pamele'
1475: Vijvermans Gueric
1492: de Keysere Guerick
1572 - 1576: Esselens Petrus, 'een integer man die zijn functie goed uitoefent'.
1593: de Bock Sebastianus
1594 - 1605: Mattens Petrus, van wie de deken niets dan goeds zegt.
1605: Cardonis (Cardoen) Anton
ca. 1606 - ca. 1618: Van der Kelen Peeter
ca. 1619 - 26/1/1676: Van den Berghe Judocus
1676 - 15/1/1713: De Coster Jan
1713 - 1720: De Coster Petrus
1721 - 28/6/1753: Van der Donck Egidius
1753 - 27/10/1796 Van der Donck Josephus
ca 1775 – 1813: Petrus Franciscus De Beenhouwer, eerste orgelist te Pamel; tot 1796 alleen orgelist, daarna koster-orgelist.
1813 - 1830: De Beenhouwer Adriaan Jozef, ook orgelist
1830 - 1877: De Beenhouwer Joannes Franciscus, ook orgelist

1.4.1. Communicanten
Uit kerkrekeningen van de 16e-17e eeuw blijkt dat de communicanten ieder jaar een peperkoek kregen.
 

1.4.2. Verering van de H. Laurentius
Volgens een decanaal verslag van 1595 bezat de kerk toen al relikwieën van de H. Laurentius, ‘patroon tegen brand, aan menschen, vee en vruchten'. Hiervoor kwamen gelovigen er bidden, de kerk werd een pelgrimsoord. Sinte-Laurijs had er zijn offerblok en die 'bracht het meeste op', zo blijkt uit zeventiende-eeuwse rekeningen. In 1710 kregen de relikwieën hun plaats in een nieuwe reliekschrijn. Aan de pelgrims werd een prentje gegeven, een papieren bedevaartvaantje verkocht. In 1749 werd, onder pastoor De Poorter de Broederschap van de H. Laurentius opgericht en omstreeks 1750 werd een dun boekje gedrukt met het levensverhaal van de heilige. In 1780 liet pastoor Matthé nog 625 ‘boeckxkens van Laurentius' bijdrukken en datzelfde jaar betaalde hij 7 gulden vier stuivers ‘voor 't vernieuwen van den waterbak van Laurentius'. Er bestaat ook nog een voorgedrukte affiche (alleen de datum moest ingevuld worden) uit 1774 waarop de begankenis naar Sint-Laurentius werd aangekondigd.

1.4.3. Processies
In kerkrekeningen uit de 16e-17e eeuw werd vermeld dat 'trommelslagers (o.a. op een "bommeken" of handtrommel, tamboerijn), fijfelaars (die op een "fijfelaar" of dwarsfluit speelden), moeselers (doedelzakspelers) en andere speellieden' de ommegang of processie opluisteren. Na de processie kregen ze een 'imbeyt' of maaltijd, samen met de 'proviseurs' van de kerk en de koster.

 
1.5.1. Kerk
Dat er te Pamel op de rechteroever van de Dender op het einde van de 6e eeuw een kapel stond waar Sint-Salvador werd vereerd blijft een gissing. (1) Feit is wel dat er eeuwen later in de kerk van Pamel nog (altijd) sprake was van een aan Hem toegewijde kapel. Toch is het waarschijnlijker dat er pas in de 8e-9e eeuw een houten kerkje werd opgetrokken (11). Zeker is dat er in 1179 nabij de Dender een kerk stond (op het huidige oude kerkhof). Voorlopig is niet geweten wanneer ze in steen werd gebouwd, wanneer ze in de volgende 4 eeuwen werd verbouwd, vergroot, geplunderd, hersteld. Pas in 1572 vernemen we meer. Toen schreef de deken in zijn verslag dat het kerkgebouw belangrijke herstellingen nodig had, het hoogkoor zo verwaarloosd was dat er geen mis kon worden opgedragen; zo ook nog in 1576. In 1593 was volgens zijn verslag het schip nog ongeschonden, maar het hoogkoor uitgebrand. In 1600 werd de kerk opnieuw door rondtrekkende geuzen en/of soldaten geprofaneerd. Niet verwonderlijk dat de abt van Ninove in 1603 ‘betere tijden' afwachtte om het koor af te werken. Toch blijkt uit kerkrekeningen uit 1590-1621 ook dat men meermaals de schade (enigszins) heeft hersteld: de altaarstenen werden vernieuwd, ook het tabernakel, het altaar van Sint-Salvator, het schrijnwerk van het koor, de koorlessenaars, het bekken van de doopvont en de altaarkleden. Eveneens moest er gemetseld en getimmerd worden aan het portaal en aan de sacristie. Volgens diezelfde rekeningen werd jaarlijks ook een deel van de vloer geplaveid en werd, gespreid over jaren het stro van het dak vervangen door schaliën. Blijkbaar was er in 1617 voldoende hersteld opdat de aartsbisschop van Mechelen de altaarstenen en het kerkhof kon komen wijden.
Van die (herstelde) kerk krijgen we een duidelijker beeld (gezien vanaf de Dender) dankzij een tekening uit 1621 van Philip De Dyn.
 

Kerk met links ervan de pastorie en bovenaan het kasteel, vooraan de Dender.
(Mechelen, Aartsbisschoppelijk Archief)
 

De uitsprong naast de zijbeuk was een zijkapel, waarschijnlijk toegewijd aan O.-L.-Vrouw. Aan de overzijde paalde eveneens een zijkapel, toegewijd aan Sint-Salvator. Had die kapel ‘fundamenten' in een oud verleden, stond ze ooit afzonderlijk? Was de kerk een vergroting uit de 15e-16e eeuw van een vroegere romaanse kerk? (12) (13)
In 1643 tekende Philip De Dyn de kerk opnieuw, nu echter een vervallen kerk: van portaal en kerktoren bleven alleen nog enkele brokken van muren over, zodat het kerkschip er een grote holte vertoonde, temeer daar het dak er ook gedeeltelijk was afgebrokkeld. Ingestort, verwoest, afgebroken; het blijft gissen naar de oorzaak. Heeft men de holte enigszins gedicht tot pastoor Cambier het in 1667 aandurfde, ondanks de oorlog tussen Spanje en Frankrijk, de kerk grondig te verbouwen? Op 23 februari 1667 noteerde hij in de kerkregisters dat de nieuwe fundamenten van het kerkschip waren gelegd.
Opnieuw is het een tekening, uit 1711 van J. De Deken, die meer opklaring brengt (gezien vanaf de huidige Lange Kamstraat).

 
 

Duidelijk is dat de toren weer overeind stond en dat het kerkschip langer was (thans 5 i.p.v. 3 vensters in de zijbeuken). Ogenschijnlijk waren de zijbeuken hoger en paalde de (niet afgebroken) kapel van Sint-Salvator nu aan het (niet afgebroken, maar verlengde?) koor. Werden deze kapel en die aan de overzijde toen al omgevormd tot sacristie?
De kerk mat 20 m bij 16 m; van de kapel van Sint-Salvator is geweten dat ze 6 m lang en 4 m hoog was. Voor een parochie als Pamel was de kerk dus niet bijster groot.
Rond 1760 waren er in de kerkvloer, door de vele begravingen binnen de kerk, tal van verzakkingen en gebroken tegels. Daarom besloot pastoor Matthé in 1762 (en in 1769) het ‘oudt plaveijsel' op te breken, te verkopen en een nieuwe vloer te leggen. Ook verkocht en vernieuwde hij wat kerkmeubilair.
In 1803 kreeg de toren een nieuw kruis.
Op (deze) herstellingen na bleef de kerk twee eeuwen quasi ongewijzigd. (13)

 

1.5.3. Kerkgeraad, kerkschatten
* Meermaals moesten kerkgeraad/kerkschatten in veiligheid worden gebracht, of drongen dieven de kerk binnen., .

 
1.5.6. Orgel
Voor 1776 is er nergens sprake van een orgel, zodat mag aangenomen worden dat de kosters voordien tijdens lof en mis (mee)zongen zonder begeleidend muziekinstrument. Maar in februari 1776 werd Petrus Frans De Beenhouwer betaald ‘voor het spelen der orgel'. Wanneer dat orgel werd aangekocht is (voorlopig) niet geweten, waarschijnlijk ca. 1775. Vermoedelijk kwam het uit de Gentse Van Peteghems-ateliers, want voor het onderhoud nadien zijn er van hen enkele rekeningen overgebleven.
 
1.5.7. Klokken
In 1593 vermeldde de deken in zijn verslag dat er 1 klok hing.
Rond 1700 liet pastoor Vanden Poele een nieuwe klok gieten, die echter al in 1731 moest hergoten worden, wat tot een dispuut leidde over wie de kosten moest betalen, de abdij of de plaatselijke gemeenschap.
In 1794 hingen er 3 klokken in de toren, maar kort nadien namen de Fransen de twee zwaarste klokken mee, alleen de kleinste mocht blijven. (14)
Op 3 augustus 1824 werd een nieuwe klok ingezegend en toegewijd aan Sint-Laurentius; peter was burgemeester Judocus Joannes Van Bellinghen en meter Catharina Theresia Van Lierde. De klok was te Leuven gegoten door Andreas Van der Gheyn, had onderaan een doorsnede van 1 m en woog ongeveer 850 kg.

 
1.6.1. Pastorie
Voor 1308 woonde de pastoor waarschijnlijk in de abdijhoeve Hofstad aan de Koe(i)straat (15). In 1308 kocht (16) de abdij van Ninove de 'mansio' (= huis) aan de huidige Oudekerkweg, 'où habitait Godefroid de Pamele' (17); m.a.w. vanaf toen woonden de pastoors in de kasteelhoeve van de heren van Pamel, die intussen verhuisd waren. In 1572 vermeldde de deken in zijn verslag dat de pastorie goed onderhouden was, in 1593 schreef hij dat ze uitgebrand was (waarschijnlijk in de strijd tussen Spanjaarden en geuzen). In 1617 werd er ter plaatse een nieuwe pastorie gebouwd, te zien op bovenstaand kaartje. Ze staat er heden nog, en de bouwdatum is nog te lezen op de linkergevel, onder de schoorsteen. Uiteraard werd deze pastorie in de loop der jaren verbouwd. Het torentje en het portaaltje vooraan zijn verdwenen, de buitenmuren gerotseerd (1882), het dak meermaals hersteld, ... Binnen bleef de brede gang die leidt naar kamers links en rechts, waarvan één nu nog de 'bisschopkamer' wordt genoemd, omdat er de hoge gasten in werden ontvangen. Maar vooral in de 19e eeuw lieten de pastoors heel wat verbouwingen uitvoeren. Zo werden in 1840 sommige muren volledig vernieuwd wegens de 'vochtigheid en dampigheyd van den grond alwaer 't batiment op gebouwt is'. (18) Ook omwille van de vochtigheid werd in 1886 de 'kleine kamer' met een dubbele deur verruimd naar de 'achterzaal' toe. Daartoe moest zelfs de ingang van de kelder gewijzigd worden.
 

1.6.2. Pastorale eigendommen
Naast de inkomsten uit hun pastorale taken hadden de pastoors (voor 1795) ook inkomsten uit pastorale eigendommen (= alle gronden tussen de Kerkhofstraat, de (huidige) Lange Kamstraat, de Kaaistraat en de Dender, maar ook elders gelegen boomgaarden, hoplochtingen, weiden, ... Vóór de pastorie lag er een langgerekte vijver (19), tot aan de Kaaistraat, die pas in 1859 grotendeels werd gedicht.). De gronden in de onmiddellijke omgeving van de pastorie bewerkten de pastoors/onderpastoors zelf of lieten ze bewerken, andere werden verpacht.

 
1.6.3. Kostershuis
In de kerkrekening van 1605 staat dat 9000 bakstenen zijn aangekocht om de fundamenten van een schoollokaal te leggen en in het eerstvolgende dekanaal verslag vermeldde de deken dat de koster (die ook onderwijzer was) er woonde, onmiddellijk links aan de ingang van het kerkhof. Het was een lemen gebouw met strooien dak. Op 4 juni 1727 betaalde pastoor G. De Craene nog 15 gulden voor 300 'bundelen dekstro', geleverd door Niclaes Walckiers. De meeste kosters hebben er tot ca. 1816 gewoond, daarna bleef het er bouwvallig staan tot 1850/1852, toen het werd afgebroken. Door de afbraak kon het kerkhof vergroot worden.

1.7.1. Parochieschool
In 1605 werd er nabij de kerk een nieuwe school gebouwd.

 


------------------------------------------------------------------------
(1) Die overlevering vertelde o.a. hoofdonderwijzer Peeter Jan-Baptist Van den Eeckhoudt in 1857 op enkele conferenties.
Pastoor Van Eyndhoven schreef: 'Een zeer oud beeld dat onze Goddelijke Zaligmaker voorstelt en tot op heden in de pastorie berust, schijnt deze zienswijze te staven.'
(2) J. Verbesselt: 'Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13e eeuw', deel XXIII, Koninklijk geschied- & oudheidkundig genootschap van Vlaams-Brabant, 1991, 572 p. Aldaar pp. 298,299.
(3) Hof te Riehove, lag een 400 m over de Dender. Was een leen van de heren van Ledeberg/Pamel.
(4) J. Verbesselt: o.c. (noot 2). Aldaar pp. 299-301.
(5) Volgens Gerard Van Herreweghen in ‘Eigen Schoon en de Brabander’ jg XLVI, nr 1-2, p. 10, trad hij al vóór 1179 op als getuige.
(6) Ook bij Gerard Van Herreweghen is er twijfel: in ‘Eigen Schoon en de Brabander’ jg. XLV, nr 1-2, p. 22,  is Willelmus een witheer, in jg XLVI, nr 1-2, p. 10, vermoedelijk niet.
(7) Kwam hij van de kapel op Ledeberg?
(8) Gerard Van Herreweghen in ‘Eigen Schoon en de Brabander’ jg XLVI, nr 1-2. Aldaar p. 10.
(9) Om een nog ongekende reden sloot hij in 1450 in zijn pastorie een genaamde Bertols, pastoor van Kontich, op!
(10) In oudst gekend geboorteregister.
(11) J. Verbesselt: o.c. (noot 2). Aldaar p. 268.
(12) J. Verbesselt: o.c. (noot 2). Aldaar p. 303.
(13) Volgens pastoor Van Eyndhoven was vóór 1667 de bouwtrant van de kerk gotisch. Hij baseerde zich op vaststellingen tijdens de afbraak van de kerk in 1905. Maar kon hij dat toen nog wel vaststellen na de grondige verbouwingen van 1667 en 1868?
De kerk na 1667 noemde hij renaissancistisch. Voor anderen was ze eerder barok.
(14) Dekanaal archief Pamel, Register der Beraadslagingen 1813-1875.
(15) Het huidige eerste stuk van de Piezelstraat.
(16) Was het in 1306? Was het een schenking van de heer van Pamel?
(17) Steekkaarten bij het cartularium van de abdij van Ninove.
(18) De gemeentesecretaris schreef erover in een rapport: 'De veranderingen aan de pastorie werden vrijwillig door de inwoners van Pamel gedaan, uiteraard ook met medewerking van de Kerkfabriek; het heeft aan de gemeente nauwelijks iets gekost.'
(19) Op 23 maart 1805 sukkelde Catharina Theresia Van Tricht (van het hof te Zijpe) in de vijver en verdronk.

2. 1843-

2.1.4. De kapelanie van Ledeberg was nog altijd onderdeel van de parochie Sint-Gaugericus. Nadat op Ledeberg vele jaren werd gestreefd naar een grotere zelfstandigheid werd de kapelanie, ondanks verzet van de Pamelse pastoors (o.a. pastoor Verwimp en pastoor Janssens), in 1963 een zelfstandige parochie.

2.2.2. Kerkfabriek
Van 18xx tot 18xx was Bogaert(s) Adrianus voorzitter
Van 18xx tot 18xx was Bogaert Franciscus Xaverius voorzitter
Van 18xx tot 28/4/1897 was Borginon Josse Géry voorzitter
Van 19xx tot 1947 was Van Houtem Charles voorzitter.
Van 19xx tot 1984 was Sonck Louis voorzitter.

2.3.1. Pastoors
30/3/1843 - 10/6/1881: Van Mollem Adriaan Jozef, eerste seculiere pastoor, vergrootte de kerk, verhoogde de toren, maar de toren viel in.
24/6/1881 - 22/3/1890: Jonckers Pierre Jacques
20/6/1890 - 3/1/1926: Van Eyndhoven Henricus bracht kerk en pastorie naar Pamel-centrum.
7/5/1926 - 25/1/1929: Verwimp Joannes Amandus
6/3/1929 - nov. 1948: Janssens Jozef
6/12/1948 - 30/9/1971: Geeraerts Jozef moest de 'afscheuring' van de parochie Ledeberg dulden, werd de eerste pastoor-deken.
1/10/1971 - 21/6/1993: Uytterhoeven Jozef
6/11/1993 - 26/12/2005: Smismans André

2.3.2. Onderpastoors
22/4/1863 - jan.1877: Sannen Joannes Emmanuel
19/1/1877 - jan. 1881: Van Eyndhoven Henricus
sept. 1883 - juni 1890: Lamal Emile Frans
1898 - 1900: Haeck Jacobus
12/1/1904 - 3/9/1920: Joossens Viktor
15/9/1920 - 10/5/1938: De Vos Emiel
15/6/1938 - 30/1/1944: Van Reydt August
6/2/1944 - 1948: Glazemaekers Albert
april 1948 - nov. 1951: Willems Alfons
1951 - 17/12/1955: Vandoren Raymond richtte de jongenschirogroep op.
3/1/1956 - 9/8/1972: Smismans André
In de weekends kreeg pastoor-deken Uytterhoeven hulp (mis opdragen, preken, …) van pater Leo Bernaerts, missionaris van het H. Hart uit Walfergem, tot in 1975. Dan werd Paul Gauchez onderpastoor, maar toen deze al in 1977 vertrok kwam pater Bernaerts terug tot in 1981. Confrater Herman Cooreman volgde hem op. Hij was gekend om zijn ‘boeiende’ preken, tot in 1990. Toen keerde pater Bernaerts opnieuw terug en nam de pastorale taak van de parochie op zich tijdens de ziekte van de deken en na diens dood tot de komst van pastoor Smismans.

2.3.3. Kosters-orgelist
1877 - 1901/1906: De Beenhouwer Joannes Victor
1901/1906 - 1911: De Beenhouwer Felix Gaugericus
1911-1958: Strens Arhur
1958-1979: Van Nuffel René

2.3.4. Kerkbaljuws of suisses
In kledij als de pauselijke Zwitserse garde, vandaar suisse, vergezelde hij de priester van en naar sacristie en altaar, stond hij in de kerk in voor orde en tucht. Tijdens de consecratie salueerde hij, staande op de eerste trap van het hoogkoor.
tot 1904 (of tot ca. 1913?): De Smedt Judocus
tot 1937: Cautaerts Jozef Désiré

2.4.1. Liturgische vieringen
- In 1904 waren er op zondag 2 missen, vanaf 4 maart 1934 kwamen er 3 missen: om 6 u, 7u30 en 9u30. Later gewijzigd in: 7 u, 8u30 en 10 u.
- Rond 1900 moest men al om 6 u of om 6u30 naar de kerk om te trouwen, rond 1928 was dat toch al later, om 8 u, 9 u of 9u30.
- Rond 1900 waren er uitvaartdiensten om 6 u, 6u30, 7 u, 8 u, 8u30, 9 u en 10 u! Vaak waren er twee plechtigheden: de dienst op de dag van de begraving en een solemnele dienst een hele tijd later. Rond 1940 gingen bij de uitvaartdienst van 10 u priesters, koster en misdienaars buiten de kerk de lijkstoet een eindje tegemoet; op het einde van de dienst gingen ze mee tot in het portaal. Bij de dienst van 11 u was het hele koor met zwarte doeken behangen, stond er een grote katafalk en gingen priesters, koster en misdienaars (als het niet te ver was) tot bij het sterfhuis; na de dienst gingen zij met het kruis de lijkstoet vooraf tot bij het graf. De prijs was wel navenant.
- In 1953 was er voor het eerst een Paasnachtviering, die zeker al in de jaren (19)60 een avondviering werd; op Witte Donderdag 1956 was er voetwassing, ritueel dat nadien slechts enkele jaren stand hield. Voor het eerst werd in 1954 met Kerstmis de middernachtmis opgedragen, ook de volgende jaren tot en met 1967. De eerste biechtviering had plaats (waarschijnlijk) op 10 april 1968 (toen nog met private belijdenis).
- Dopen, kerkelijke huwelijken en begrafenissen (1)

Opmerkingen: Sinds 1946 werden de (gedeeltelijke) cijfers van de parochie Kattem en sinds 1958 de cijfers van de parochie Ledeberg niet meer ingecalculeerd. Tussen haken het aantal begrafenissen van overledenen in het rusthuis. De tabel geeft uiting aan een tanend parochieleven.
- Vanaf augustus 2017
(2)
2.4.2. Plechtige communie, vormsel
* Tot 1918 (?) deed men zijn eerste communie op 12 jaar (of later), leeftijd waarop men nadien de plechtige communie deed.
Ter voorbereiding volgden gedurende twee bijna volledige (school)jaren jongens en meisjes apart de 'catechismus', gegeven door de onderpastoor/pastoor. In 1933 bv., gingen de jongens op woensdag en zaterdag om 7u45 in Pamel naar de ‘lering’, de meisjes op dinsdag en vrijdag ook om 7u45, het eerste jaar op Ledeberg, het tweede jaar in Pamel. Bovendien  moesten allen op maandag en donderdag de mis van 7u45 bijwonen. Op de donderdag, vrijdag en zaterdag voor de plechtige communie werden dan van 8 tot 9 u en van 14 tot 16 u vooral de vieringen grondig ingeoefend. Op de dag zelf kwamen de communicanten om 7 u samen in Ons Huis, vanwaar ze processiegewijs naar de kerk stapten en in de mis van 7u30 hun plechtige communie deden. Om 9 u vergaderden ze opnieuw in de zaal, gingen dan in processie naar de kerk en spraken er tijdens de hoogmis hun doopbeloften uit. In de namiddag volgden ze nog het lof met toewijding aan Onze-Lieve-Vrouw en werd tenslotte het Te Deum gezongen als dankzegging.
Maar ook na hun eerste/plechtige communie volgden een aantal onder hen gedurende nog twee jaar de ‘catechismus van volharding’. Welke pastoor ermee is begonnen is (voorlopig) niet geweten. In het parochieboek wordt de catechismus wel vermeld ter gelegenheid van de ‘prijsuitreiking’ op 2 april 1894, voor hen die regelmatig in de catechismus aanwezig waren. Dat betekende wel dat er in 1893-1894 samenkomsten waren. Die catechismus van volharding ging door op zondag voor het lof. Onder pastoor Van Eyndhoven in het begin vrij regelmatig, later annuleerde hij meer en meer de catechismuslessen. Onder pastoor Verwimp kwam er weer meer regelmaat in de samenkomsten, met veertig-vijftig meisjes en jongens. Pastoor Janssens vergaderde afwisselend, de ene week met de jongens, de volgende met de meisjes. Hoewel op 25 mei 1951 de catechismus van volharding voor het laatst in het parochieboek werd opgetekend, zijn er toch ook daarna nog twee à drie jaar samenkomsten geweest.
* Het vormsel werd om de drie jaar toegediend aan de plechtige communicanten van het vorig jaar, het jaar zelf en het volgend jaar. (3) Een week voordien volgden de vormelingen elke dag om 7u45 les ter voorbereiding. Op dag zelf moesten zij, bv. in 1927, al om 6u15 in de kerk zijn. Zij volgden dan de mis van 6u30, opgedragen door de vormheer en gingen te communie. Om 9 u waren ze terug in de kerk om gevormd te worden. In de namiddag gingen de vormelingen nog naar het lof, waarna het Te Deum werd gezongen. Van de peter en de meter kregen ze een geschenkje (na 1933, vele jaren een flesje limonade van peter Joseph De Schepper).
 
2.4.3. Verering van Sint-Gaugericus, patroon van de parochie
Tot 1964 werd zijn feestdag (11 augustus) gevierd. Vele jaren waren er dan diensten zoals op zondag.

2.4.4. Verering van de H. Cornelius en de H. Laurentius
In de 19e eeuw verzwakte de verering van de H. Laurentius en ondanks pogingen van pastoor Van Mollem om de broederschap nieuw leven in te blazen vond zijn opvolger pastoor Jonckers ca. 1883 geen register meer van de broederschap en stelde ook vast dat er geen nieuwe leden waren. Hij vroeg dan ook aan de bisschop de broederschap opnieuw op te richten, maar daar werd blijkbaar geen gevolg aan gegeven want toen pastoor Van Eyndhoven op 31 december 1899 een lijst opstelde van de bestaande kerkelijke genootschappen was de Broederschap van de H. Laurentius er niet meer bij. Maar pastoor Van Eyndhoven had intussen al een vervanger gevonden, de H. Cornelius, aan wiens relikwie hij was geraakt. Op 6 juni 1897 schreef hij in het parochieboek: ‘Sinksen. Vespers om 2 uur, daarna solemnele inhaling van het beeld van de H. Cornelius en daarna lof en zegening met de relikwie van de H. Cornelius. Maandag, 2de Sinksendag om 2 uur vespers en lof; daarna sermoen door Z.E.H. deken en wijding van het beeld van de H. Cornelius.'
 

Sint-Cornelius met de pauselijke tiara op het hoofd; in de linkerhand
een jachthoorn, waarvan de oorsprong niet met zekerheid is gekend.
foto 2013

 

Deze was de ‘bijzondere Patroon tegen de stuipen (seskens of gaven genaamd), gichtigheden en vallende ziekten der menschen en tegen de ziekten der beesten; wiens heilige relikwie met grooten toeloop en devotie geëerd, en wiens bijstand vurig aanroepen wordt in de parochiale kerk van Pamel', o.a. door vele moeders met hun kinderen op de arm of aan de hand.
In 1933 meende pastoor Janssens dat de H. Cornelius en de H. Laurentius best samen konden aanroepen worden en de zondag voor Pinksteren verkondigde hij van op de preekstoel: ‘Zondag aanstaande, jaarlijkse begankenis ter ere van de H. Cornelius waarbij we tevens de H. Laurentius zullen vereren, die hier te Pamel sinds onheuglijke tijden vereerd en aangeroepen wordt.' Het scenario, in de namiddag van Pinksteren, zou vele jaren nagenoeg hetzelfde blijven: om 14 u vespers en lof, daarop processie met de beelden van de H. Cornelius en de H. Laurentius langs de Sint-Corneliusweg (Kwinkeleer), daarna opnieuw lof. Voor en na het lof verering van de relikwieën: vooraan in de kerk de relikwie van de H. Cornelius, achteraan de relikwie van de H. Laurentius. Intussen toerden de bedevaarders driemaal rond de beelden van beide heiligen die in de middenbeuk opgesteld stonden en gingen ook driemaal biddend rond de kerk.
Tot in de jaren (19)50 was het in de bomvolle kerk een gedrum van jewelste en moesten de schalen meer dan eens geledigd worden. Daarna verzwakte de toeloop, maar toch werden nog in 1969 in het parochieblad vespers, bedetocht langs de Sint-Corneliusweg, lof en zegening van de kinderen aangekondigd. Zo ook nog een aantal jaren nadien, maar op het einde van de eeuw was er op Pinksternamiddag geen plechtigheid meer; de beelden werden enkel nog in de middenbeuk opgesteld maar niemand zag je er nog omheen draaien.

2.4.5. Processies
- In 1894 vermeldde pastoor Van Eyndhoven zes processies: drie processies op de Kruisdagen, de maandag, dinsdag en woensdag voor O.-H.-Hemelvaart; de Sint-Marcusprocessie op 25 april; de processie op 19 maart, feest van Sint-Jozef; de processie op Sacramentsdag (op de tweede donderdag na Pinksteren). Het waren voornamelijk bidprocessies.
- In de jaren (19)20 ontstonden twee grote processies met tal van groepen: op de zondag na Sacramentsdag over Poelk (o.a. Tezuivenestraat, Ninoofsesteenweg, Poelkbeekstraat); op O.-L.V.-Hemelvaart, 15 augustus, over Ledeberg (o.a. Gashuisstraat, Dokter Roosensstraat). Onder pastoor Geeraerts werd gewisseld, eerst over Ledeberg en in augustus over Poelk.
Op het programmablad schreef pastoor Janssens de doelstelling van deze processies:  ‘Samen met de openbare eer en hulde gebracht aan de Moedermaagd en aan onzen goeden Meester, den Liefdekoning, in zijn aanbiddelijk Sacrament, geeft de processie een aanschouwelijke les van wat ons christelijk leven hoeft te zijn van af ons prilste jeugd.’
 



De monstrans met ‘Het Allerheiligste Sacrament’ werd gans de weg opgeheven gedragen door een priester gehuld in een dikke, met zilver- en gouddraad geborduurde koorkap. Onderweg werd halt gehouden aan het rustaltaar waar het H. Sacrament ter aanbidding werd uitgesteld, waarna de zegen werd gegeven. Op Ledeberg stond er een rustaltaar op de Ledebergdries; in Poelk was er eerst een rustaltaar ter hoogte van de huidige Rijstraat, later langs de Tezuivestraat en ook aan het einde van de Gasthuisstraat.
De processie over Poelk hield stand tot in de jaren (19)60, werd dan nog vervangen door een bidprocessie in de wijde omgeving van de grot, tot 1970. De processie over Ledeberg ging een laatste keer uit in 1971.

2.4.6. Dag van de Gedurige Aanbidding of Biddag
Op enkele uitzonderingen na, steeds op 23 januari; dan werd het H. Sacrament de ganse dag ter aanbidding uitgesteld.
In 1894 bv. viel de biddag op een dinsdag. Deze werd voorafgegaan door een triduüm, een driedaagse periode van gebed en bezinning: donderdag 18 januari sermoen om 18 u., vrijdag en zaterdag sermoenen om 7 en 18 u. Op maandag konden de parochianen te biechten gaan, van 9 tot 12 u. en van 14 u.  tot ’s avonds, tot er biechtelingen waren, bij 4 biechtvaders; de pastoor, onderpastoor, kapelaan en pater-predikant. Op de biddag zelf werd al om 6 u. het H. Sacrament uitgesteld met erna een mis, ook missen om 7 en 8 u. en een solemnele hoogmis om 9u30. ’s Namiddags om 15 u. waren er vespers en om 18 u. werd de biddag afgesloten met sermoen, lof en Te Deum. Ongeveer hetzelfde scenario werd de volgende jaren gevolgd, tot na 1900.
Na WO I was er geen triduüm meer, wel werd op de biddag het H. Sacrament uitgesteld, waren er missen, sermoenen, was er biechtgelegenheid (eventueel de dag voordien).
Na WO II werden er op de biddag nog drie missen opgedragen en was er ook, al of niet voordien, biechtgelegenheid. Ook werden de kinderen speciaal betrokken bij de biddag; de meisjes per klas, de jongens om 13u30. De andere parochianen werden meestal per straat uitgenodigd om aanwezig te zijn, eerst gedurende een vol uur, latere jaren een half uur. Vanaf 1958 werd er geen pater-predikant meer uitgenodigd voor de sermoenen. Toch was er in 1961 nog om 7 u. mis met uitstelling van het H. Sacrament, om 10 u. plechtige mis, om 15 u. vespers en om 20 u avondmis en sluiting. Vanaf 1962 werd de biddag ingeschakeld in de internationale bidweek. In 1969 waren er geen vespers meer en in 1971 was er alleen nog om 9 u. een mis, gevolgd door de gedurige aanbidding tot 12 u.

2.4.7. Heilige Missie
Om de 7 à 10 jaar georganiseerd, 10 à 11 dagen met sermoenen, gebedsoefeningen, liederen en massamanifestaties, geleid door een ploeg van daarin gespecialiseerde paters. Zij waren gekend om hun oratorisch en organisatorisch talent. Sommigen ook om hun donderpreken. Na WO II duurden twee missies zelfs 15 dagen doordat begonnen werd met eerst ca. 4 dagen kindermissie.
Volgens de notities van pastoor Van Mollem startte er in Pamel op 5 mei 1845 een eerste grote missie. Pastoor Van Eyndhoven deelde op zondag 7 januari 1912 mee vanop de preekstoel: ‘Zondag eerstkomend begin der missie’. Een jaar later op zondag 12 januari 1913 verkondigde hij: ‘Zaterdagavond opening en hernieuwing van de missie door E. Pater Brouckaert.’ Verder niets in het parochieboek over een mogelijke missie. Had pastoor Van Eyndhoven het in feite over het triduüm van de biddag?
Na hem zijn er in de parochie Sint-Gaugericus vijf (volks)missies doorgegaan (met telkens ook vieringen, sermoenen, … op Ledeberg):
- missie van 11 tot 20 januari 1931, gepredikt door paters redemptoristen, geopend op zondag 11 januari met missen om 5u30 en om 7 u. ’s Namiddags was er al een sermoen en de volgende (week)dagen waren er sermoenen om 6u30 en 7u45 en om 19u30. De sluitingsdag op dinsdag 20 januari was eveneens biddag.
- missie van 15 tot 25 januari 1938. Op zaterdag 15 januari om 15 u werden de paters redemptoristen in de kerk ontvangen door de ‘schoolkinderen (met meesters en meesteressen)’ (4). Er werd gebeden, gezongen, toegesproken. ’s Avonds om 19u30 was er dan de plechtige opening van de missie. Op zondag waren er de gewone missen, in de namiddag om 17 u. sermoen. ’s Maandags en de volgende (week)dagen werden de missen van 6 u. en 7u30 gevolgd door een sermoen. Elke (week)dag was er ook om 11 u. een sermoen voor de kinderen, om 14 u. gebedsoefening voor de beeltenis van Onze-Lieve-Vrouw-van-Bijstand, koningin der missie en om 19u30 sermoen voor de volwassenen. ‘Met telkens meer dan 1000 aanwezigen.’ (4) Op donderdag werd om 7 u. speciaal aan de kinderen de communie uitgereikt, ’s avonds was er hulde aan het H. Sacrament. Op de sluitingsdag was het ook biddag met missen te 6 u. en te 7u30 en een plechtige hoogmis om 9u30. ’s Avonds werd de missie na het sermoen afgesloten met de pauselijke zegen en het Te Deum.

met een grotendeels analoge inhoud als in 1938. Ook dit jaar moest de hulde aan het ‘prachtig versierde missiekruis’ (3) omwille van het gure weder doorgaan in de kerk. Op zaterdagavond was er hulde aan Onze-Lieve-Vrouw, ‘omringd door al de vlaggen’. (4) De sluitingsdag was weer biddag.
- missie van 16 tot 30 oktober 1955, gepredikt door minderbroeders-kapucijnen. Eerst van 16 tot 20 oktober ‘H. Missie voor de schoolkinderen’ met o.a. geleide kindermissen, onderrichtingen, biecht, plechtige kinderzegen, afzonderlijke voordrachten voor de ‘jonge meisjes’ en voor de ‘jongelingen’. Van 20 tot 30 oktober ‘H. Missie voor de jeugd en de volwassenen’ met o.a. plechtige kruisplanting, zieledienst, kaarskensprocessie, huldevieringen en elke dag missiepreken, om te eindigen met een biechtdag en op de sluitingsdag kruisprocessie, pauselijke zegen en Te Deum.
- missie van 28 maart tot 11 april 1965, ook gepredikt door de minderbroeders-kapucijnen met een grotendeels analoge inhoud als in 1955.

  2.4.8. H. Hartfeesten op 3 mei 1931
 
 

2.4.9. Op zondag 3 september 1939, tijdens de mobilisatie, drong pastoor Janssens er bij zijn parochianen op aan ‘… in zo groot getal mogelijk iedere avond (in de kerk) Gods Hulp te komen inroepen voor het welzijn van ons land, voor de wereldvrede en voor het welzijn van de soldaten van onze parochie. We mogen niet denken dat het ergste reeds voorbij is; het ergste kan wel nog komen. De goede God beware er ons voor.'
Op zondag 19 mei 1940 kon de pastoor omwille van de bombardementen geen mis opdragen. Op 2 juli 1940 celebreerde hij een zielemis voor de 3 gesneuvelde Pamelse soldaten (zo ook na de oorlog voor twee Pamelaars gestorven in een Duits concentratiekamp).
Gedurende de oorlog gingen de dagelijkse misvieringen, de vespers en lof op zondag, … gewoon door, maar b.v. de processies over Ledeberg en Poelk mochten niet rondgaan.
Gans de oorlog door werd er tijdens de gewone vieringen gebeden voor de slachtoffers van de oorlog en voor vrede; bijkomend ging men er ook voor bidden aan de Sint-Jozefskapel op Kriebrug, aan de grot te Poelk, … of bad men ‘s morgens in de kerk vóór de eerste mis de rozenkrans en de litanie van het H. Hart of ‘s avonds na een lof nog 2 rozenhoedjes! Soms was er een speciale biddag:

 
 
Ook promootte pastoor Janssens verschillende inzamelingen (o.a. op 7/7/1940) en omhalingen (o.a. op 6/7/1941) ‘ten einde de geteisterden van de oorlog te hulp te komen'.
De genootschappen en bonden bleven onder de oorlog bestaan en kwamen ook regelmatig samen.
2.4.10. Op 1 april 1945 verscheen het eerste ‘Parochieblad van Pamel.’ Aan de hoofding werd nog wat gesleuteld om al op 3 juni te komen tot:
 

Die hoofding zou meegaan tot eind 1972 (?), daarna gewijzigd omdat ook de andere parochies van Roosdaal samen in het parochieblad werden opgenomen. Het stramien bleef onveranderd: vooraan één (later meerdere) bladzijden, met vooral de vieringen, maar ook de namen van de dopelingen, de communicanten, de gehuwden, de overledenen, … nieuws uit de parochiale verenigingen, … ter plaatse opgesteld en er aanvankelijk ook gedrukt. De volgende bladzijden waren dan dezelfde voor alle Vlaamse parochies, opgesteld en gedrukt in ‘Antwerpen’.
In 1945 werden 600 abonnees geteld, in 1952 waren het er 630, in 1997 gestegen tot 793 (Pamel en Ledeberg samen). Sindsdien is het aantal abonnees in dalende lijn. In 1952 kostte een abonnement 37,50 fr., in 1996 was de prijs 550 fr., in 2019 bedroeg de abonnementsprijs 38 €.
2.4.11. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw tot de jaren (19)60 fungeerden er gedurende korte of langere tijd verschillende congregaties, genootschappen, broederschappen en bonden: Zij waren uiting maar evenzeer instrument van een kerk die de parochiegemeenschap beheerste.
- Broederschap van de Heilige Rozenkrans
- Genootschap van de Gedurige Aanbidding
- Congregatie van Onze-Lieve-Vrouw
- Congregatie van de Derde Orde van de Heilige Franciscus
- Congregatie van de Heilige Joannes Berchmans
- Genootschap van de Heilige Vincentius à Paulo
- Genootschap van de Heilige Familie
- Genootschap van de Heilige Kruisweg
- Genootschap van het Heilig Hart
- Broederschap van de Heilige Rochus
- Bond van het Heilig Hart
- Eucharistische Kruistocht
- Genootschap van de Christene Moeders der Heilige Familie

 
2.5.1. Oude kerk
Pastoor Van Mollem kloeg er al enkele jaren over, en in 1863 oordeelde ook de kerkfabriek officieel dat de kerk uit 1667 te klein was geworden. Elke hoogmis stonden er honderden mensen in het portaal of op het kerkhof. In opdracht van de kerkfabriek stelde architect L. Spaak in 1866 een plan op waarin de kerk met 240 m² werd vergroot, voornamelijk door de bouw van een kruisbeuk. (5) (Er was ook sprake geweest van het verplaatsen van de kerk naar het midden van de parochie, maar omdat men ‘moeilijkheden' vreesde, zoals in Okegem, werd het voorstel opgeborgen.) In februari 1868 begon men aan de afbraak van het koor en de twee sacristieën (een ervan was de vroegere kapel van Sint-Salvator). Op 30 maart werd de eresteen ingemetseld en werden kruisbeuk, koor en sacristie in de richting van de pastorie uitgebouwd. Nog hetzelfde jaar voltooide aannemer Schoonjans uit Pollare de ruwbouw. Begin 1871 bestelde de kerkfabriek eikenhouten muurbeschotten (6) aangepast aan de al bestaande lambrizering, twee dubbele deuren met half verheven beeldhouwerk en twee biechtstoelen bij meester-beeldhouwer Prosper Jacobs uit Ninove; het jaar daarop was hij er klaar mee. Bovendien wou pastoor Van Mollem ook de buitenzijde harmoniseren. Provincaal architect G. Hansotte stelde een plan op. (7) In 1878 werden de daken van de oude zijbeuken vernieuwd; de toren kreeg niet alleen meer witte steen ingemetseld (zoals in de nieuwe muren), maar werd ook verhoogd, met 1 m (8) en met een hogere naald. Gedurende de werken stelde men kleine barsten vast in vloer tussen kerk en portaal en ook breder wordende scheuren in de muren van het oksaal. Konden de grondvesten de zwaardere toren wel dragen? Hansotte liet daarop bindankers aanbrengen en twee steunberen tegen de toren opwerken. Dit scheen voorlopig te helpen, maar begin maart 1879 hoorde men gekraak, werden de scheuren groter, kwam bepleistering naar beneden, ... op 9 maart, klokslag 19 uur viel de toren met een oorverdovend lawaai neer op het kerkhof. Het grote gat in de voorgevel werd eerst met een houten beschot afgesloten, daarna werd een voormuur gemetseld.(9)
 

foto ca. 1900
 

Ook al wilde pastoor Jonckers een kerk meer in het midden van de parochie, toch bleef een beslissing uit, door tegenkanting van hen die de kerk ter plaatse wilden houden, maar vooral doordat hij er het nodige geld niet voor vond. In de beginjaren van pastoor Van Eyndhoven werd door enkele leden van de kerkfabriek en van de gemeenteraad nog voorgesteld de oude kerk te renoveren, te vergroten en een nieuwe toren te bouwen. Architect A. Struyven stelde er zelfs een plan voor op. Maar in die jaren werd eveneens vastgesteld dat het nog rechtstaande kerkschip (en koor) meer en meer ontwricht geraakte, zowel het oudste gedeelte (uit ca. 1667!) waar de muren in zo’n staat van ouderdom waren dat ze bij renovatie best afgebroken werden, als het recente deel waar o.a. de kruisbeuk aan de noorderzijde al 16 cm was afgeweken. Daarbij werden de scheuren in muren en gewelven groter en liet A. Struyven ankers aanbrengen. Een renovatie was dus niet evident en zou eveneens hoge kosten meebregen. De idee van de bouw van een nieuwe kerk won weer veld. Kantelmoment was zeker de komst in 1896 van kardinaal Goossens die kwam vormen, maar zich toen ook uitsprak voor een kerk in het midden van de parochie en aan de pastoor de opdracht gaf daarvoor te ijveren, wat pastoor Van Eyndhoven de volgende jaren ten volle deed. Vooreerst bracht hij de kerkfabriek ertoe op 3 april 1898 te beslissen een nieuwe kerk en pastorie te bouwen. Wat later, op 3 augustus keurde ook de gemeenteraad met zes stemmen tegen vijf de verplaatsing van de kerk goed.

2.5.2. Kerk aan de Brusselstraat
Ook al was er sprake van geweest de kerk hogerop de Brusselstraat of (Pamelse) Klei te bouwen, toch leek de plaats rechtover het nog vrij recente gemeentehuis aangewezen. Daar had de familie van Tricht een grote partij grond liggen. Pastoor Van Eyndhoven ging dan ook met hen onderhandelen, bijna twee jaar lang. Uiteindelijk werd op 7 juni 1902 voor notaris Velge te Lennik de akte van afstand en omruiling van eigendom geparafeerd, op 9 juni 1902 geregistreerd en op 16 augustus 1902 goedgekeurd door de minister van Justitie.
Intussen was Julius Goethals, stadsarchitect van Aalst, aangesteld als ‘bouwmeester’. Op 31 augustus 1901 gaf de bestendige deputatie van de provincie Brabant goedkeuring aan zijn uiteindelijke plannen.
Probleem was wel dat de geschatte kostprijs van 194000 fr nog niet volledig kon gefinancierd worden. Door echter het bovenste deel van de toren en de vloer van kerk en doopkapel voorlopig onafgewerkt te laten kon de kostprijs volgens de architect gereduceerd worden tot 162403,97 fr, bedrag dat ook door het ministerie werd opgelegd.
Uiteraard was de pastoor ondertussen ook op zoek gegaan naar de nodige gelden. Door contacten, onderhandelingen kon hij van gemeente, provincie en staat telkens 15000 fr aan subsidies loskrijgen. Bovendien had hij een koper gevonden voor de oude pastorie, oude kerk en … kerkhof, de zusters van van de Verrezen Zaligmaker uit Sint-Niklaas die er 30000 fr voor betaalden. Zodat de kerkfabriek nog voor 87403,97 fr zou moeten zorgen.
In november 1902 werd overgegaan tot de aanbesteding van de nieuwe kerk en pastorie. Daar Leonard Verstraete uit Rumbeke met 155600 fr het laagste bod deed werd hij door de kerkfabriek op 8 december 1902 als aannemer aangesteld. Uiteindelijk gaf de minister van Justitie bij koninklijk besluit van 8 februari 1903 de toelating te beginnen aan . ‘La construction d’une nouvelle église à Pamel’.

Pastoor Van Eyndhoven: ‘Gedurende de winter van 1902-1903 werden door de aannemer, de heer Verstraete, de bouwmaterialen aangevoerd. Een grote hoeveelheid kareelstenen kwam hier aan; de paramentstenen voor de buitenlaag werden per schip langs de Dender aangevoerd en 150 wagons blauwe arduinstenen arriveerden in Okegem via de spoorweg. Ook werd er een loods gebouwd voor de werklui, ze moest ook dienen als bergplaats voor het alaam. Vervolgens werd ook nog een barak opgetrokken voor de broyeur en een kalkschuur. In het begin van de maand maart 1903 werden de omtreklijnen van het gebouw afgetekend en vervolgens werden de sleuven voor de fondamenten gegraven. Omstreeks half maart begon dan het echte metselwerk.’

 


Blauwe steen die in 1903 in de muur achter het hoofdaltaar werd gemetseld, met erin o.a. het hierna volgend document.
(Op 25 januari 2003 werd de steen in aanwezigheid van zes getuigen uit de muur gehaald. De erin opgeborgen documenten bleken nog in goede staat. Op 20 maart 2003 werd de steen met erin de documenten opnieuw in de muur gemetseld.)


In het jaar des Heren 1903, /Toen paus Pius X de kerk bestuurde, /Koning Leopold II regeerde, /Kardinaal Petrus Lambertus Goossens Aartsbisschop was, /E.H. Van Eyndhoven pastoor, /Werd deze kerk, die toegewijd is aan de Heilige Gaugericus gebouwd. /Z.E.H. C.A. Verbesselt, districtsdeken, heeft de eerste steen gelegd.
(tekenden:) A. Verbesselt, pastoor-deken van St-Kwintens-Lennik /L. Ooms, pastoor van O.-L.-V.-Lombeek /P. Cuylits, pastoor van Strijtem /H. Buelens, pastoor van Wambeek /J. Haeck, onderpastoor van Pamel (kapelaan op Ledeberg) /V. De Beenhouwer, residerend priester /Leopold Mertens, aalmoezenier van het rusthuis /A. Stoffels, rector van het klooster in Borchtlombeek /Victor Joossens, onderpastoor van Pamel /J. Goethals, architect /Leonard Verstraete, aannemer.

Eindelijk waren de werken zover gevorderd dat de kerk op donderdag 29 september 1904 door deken A. Verbesselt kon ingezegend worden, in aanwezigheid van de notabelen van de gemeente, de pastoors van de omliggende parochies, de uit Pamel afkomstige priesters en ‘verscheidene buren en vrienden’. (10) De volgende twee dagen werden de stoelen en andere kerkmeubelen nog uit de oude kerk gehaald, vervoerd naar en geplaatst in de nieuwe kerk, want vanaf zondag 2 oktober zouden alle reguliere diensten er doorgaan. ‘Op zondagmorgen waren de parochianen reeds vroeg in de kerk om plaats te vinden en ongeveer duizend kerkgangers naderden tot de H. Tafel’. (10) Onder hen verschillende Pamelaars die voorheen omwille van de afstand elders naar de mis gingen. Terwijl sommige parochianen van de ‘benedenkant’ uit protest wegbleven en nog vele jaren naar de kerk van Okegem zouden gaan.
Na in 1904 al ingezegend te zijn werd de kerk op 8 september 1921 nog eens ingewijd door kardinaal Mercier. De parochianen hadden hun huizen opgetooid, maar vooral het kerkplein en de kerk waren versierd,

met ertussen verschillende


chronograms, o.a.:

- Domus haec locus crationis erit, in hac Jesus latens habitat.
(Dit huis zal een plaats van gebed zijn, waarin Jezus voor altijd woont.)
- Heilige Gaugericus, bescherm hier vele jaren deze parochiekerk.
- Hooggeachte Kardinaal, leef lange jaren!
Gij buktet niet voor Duitschland!

(Tel de waarde van de rode letfers op, met M=1000, D=500, C=100,
L=50, V=5, U=5, I=1, J=1 en je bekomt telkens 1921.)

Het werd een luisterlijke viering; vanaf 10 u processie met de relikwieën en wijding van de altaren, gevolgd door een plechtige mis. Uiteraard waren de voorzitter en de leden van de kerkfabriek aanwezig, de burgmeester en de schepenen, de in Pamel geboren priesters, de pastoors van de omringende gemeenten, … maar ook de 'hele parochie'.
 

foto ca. 1947
 


foto 2013

De neogotische verticale opbouw, alsook de diepte naar het beglaasde koor toe, vallen op. Maar ook een lichtheid, o.a. bekomen door de natuurstenen witte spitsbogen, met ertussen metselwerk, steunend op zuiltjes uitgewerkt tegen de muren, die zelf steun vinden op gelaagde kolommen.

Tot op heden bleef het neogotisch uitzicht van de kerk ongewijzigd, wel waren er in de loop der jaren herstellingen nodig, werd de kerk tussen maart 1994 en februari 2002 zefls grondig gerenoveerd. Onthutst waren de parochianen dan weer toen er eind juli 2017 in de kerk een stuk baksteen viel uit het plafond van de linker zijbeuk en dat er ook scheurtjes werden opgemerkt in het gewelf, zodat de kerk veiligheidshalve ‘voorlopig’ werd gesloten.

2.5.3. Glasramen
* De glasramen in het koor werden gebrandschilderd door Hochreiter en Geyer uit Antwerpen en ingezet in 1904. Het glasraam links stelt bovenaan een knielende bisschop voor, de Heilige Cornelius, die op het punt staat onthoofd te worden (11) door een soldaat die zijn zwaard in de hoogte steekt, rechts van de soldaat een engel met de zegepalm van de martelaars. Onderaan een tafereel waarin de Heilige Laurentius geroosterd wordt. In het middenste glasraam wordt bovenaan het kerstgebeuren uitgebeeld, eronder de Heilige Familie: Jozef timmert, Maria spint en Jezus houdt de handboor vast. In het glasraam rechts, bovenaan bezoekt de Heilige Gaugericus een oude man, onderaan is de Heilige Vincentius à Paulo te zien. Tussen de taferelen bovenaan en onderaan worden in de drie glasramen de apostelen voorgesteld. Ook prijken in het middenste glasraam de wapenschilden van de schenkers, de families de Merode en de Lévis Mirepoix (dubbelschild), beide schilden geflankeerd door twee leeuwen.
* De glasramen in de (vroegere) doopkapel werden ontworpen door Louis Asperslag (12), Pastoor Janssens vroeg hem ‘uit het Oude Testament, uit het Nieuwe Testament en uit de liturgie van het doopsel samen te brengen al wat betrekking had op dat zo voornaam en nooit genoeg gewaardeerd zo heilig sacrament’. Het werden glasramen met overwegend blauwe en rode tinten. De uitvoering ervan gebeurde in het atelier J.J. Vosch te Elsene, in 1935 werden ze ingezet, kostprijs 17000 fr.
In de glasramen langs het kerkplein zijn taferelen te zien uit het Oude Testament. In het glasraam links wordt in een bovenste tafereel de vlucht uit Egypte voorgesteld, dwars door de Rode Zee, eronder slaat Mozes water uit de rots. Gans boven in het middenste raam zetelt de Schepper aanbeden door engelen, daaronder nog twee taferelen: Adam en Eva die verjaagd worden uit het aards paradijs en Noë die op zijn ark de duif met een tak in de bek verwelkomt. In het glasraam rechts wordt de viering van het Joodse Paasfeest uitgebeeld, eronder trekken de Joden op met de Ark des Verbonds.
In het koortje zijn nog drie glasramen te zien met taferelen uit het Nieuwe Testament. In het glasraam links boven de feniks en een vis symbolen die verwijzen naar Christus, eronder het doopsel van Jezus in de Jordaan en daaronder een kind in wit gewaad dat uit de doopvont oprijst, evenals een licht uitstralend kruis. In het middenste glasraam wordt bovenaan de Heilige Drievuldigheid uitgebeeld, drie ringen ineengewerkt, daarop de hand (de Vader), de duif en de tong  (H. Geest) en eronder de kruisiging (de Zoon) met O.-L.-Vrouw en de H. Joannes. Daaronder staat nog een Latijnse tekst. (13) In het glasraam rechts bovenaan twee vissen waartussen een derde vis waarvan alleen de staart zichtbaar is, symbool van het nieuwe leven door het doopsel. Eronder nog twee taferelen: de verrijzenis van Jezus en de parabel van de dwaze maagden met onder een brandende olielanp een Latijnse tekst (14).
2.5.4. In het schip en de dwarsbeuk zijn de muren beschilderd met aanroepingen uit de litanie van Onze-Lieve-Vrouw, telkens ook uitgebeeld: Koningin der martelaren, Toren van David, Gulden Huis, … In het koor zijn links twee engelen geschilderd met banier waarop een Latijnse tekst ‘Laudate nomen Domini’, erboven een pelikaan die zijn borst open pikt om zijn drie jongen met zijn bloed te voeden, rechts eveneens twee engelen met ‘Gloria in excelsis Deo’ en erboven het Lam Gods. Ook nog Latijnse teksten over de gehele lengte van het koor.
In het koor hangen twee oude geborduurde processievaandels, op het vaandel links staat O.-L.-Vrouw, rechts de Heilige Familie.
In de rechterdwarsbeuk hangt een schilderij dat de kroning van Maria door de Heilige Drievuldigheid voorstelt. Het is een werk uit de school van De Crayer en dateert uit de 18e eeuw. In de oude kerk hing het boven het hoofdaltaar, nadien in de nieuwe pastorie. Nadat het gerestaureerd werd, hangt het sedert 1987 in de kerk.
De kruisweg in het schip dateert uit 1904, toen ingewijd op 15 oktober.
 

2.5.5. Altaren
Het witte hoofdaltaar in het hoogkoor, er geplaatst in 1911, werd gebeeldhouwd door de Leuvense beeldhouwer Paul Roemaet.

 

foto 2013
 

In het retabel links het Laatste Avondmaal, in het midden Christus aan het kruis omringd door Maria en Johannes, rechts de bruiloft van Kana. Onder de altaartafel een medaillon met Christus als leraar en in de vier hoeken de symbolen van de vier evangelisten. Op het deurtje van het tabernakel twee zinnebeelden: het Lam Gods en de pelikaan.
De altaartafel vooraan het koor werd ca. 1967 vervaardigd uit 17 eikenhouten balken van de molen van de Pauselijke Zoeaaf.
Het rechterzijaltaar is toegewijd aan Sint-Jozef, het linker was toegewijd aan O.-L.-Vrouw, maar dit altaar werd verwijderd om meer ruimte te geven aan de wit marmeren doopvont (17e eeuw) met koperen deksel (die voordien in de doopkapel stond) en aan de paaskaars. Hier ook tegen de muur een beeld van Maria met het kindje Jezus op de arm dat het serpent neervelt; de integratie in de wand laat vermoeden dat dit gepolychromeerd beeld dateert uit 1904.

 

...
foto 2003 .............................foto 2013

2.5.6. De communiebank tussen schip en koor werd door de parochianen in 1930 geschonken n.a.v. het zilveren priesterjubileum van pastoor Janssens. Heden is ze verwijderd en tegen de linkermuur van het koor geplaatst. De communiebanken links en rechts voor de zijbeuken komen uit de oude kerk. Ze zijn uit eikenhout en stellen taferelen voor uit het Oude en het Nieuwe Testament. (Ook uit de oude kerk komen de vier processielantaarns op de hoek van elke communiebank en in het koor.)
 


foto 2013

  2.5.7. De preekstoel uit gevernist eikenhout stond in de oude kerk en dateert vermoedelijk uit de 17e eeuw.
 


foto 2009

 

Op de sokkel o.a. de symbolen van de vier evangelisten. De kuip vertoont de beeltenissen van O.-L.-Vrouw met het kindje Jezus, Sint-Laurentius met rooster en boek, Sint-Paulus met boek en zwaard, Christus met wereldbol, Sint-Petrus met sleutels en boek en Sint-Gaugericus met staf en boek (of is het Sint-Antonius met varken?). Aan het klankbord, geschraagd door twee engelen, een duif met opengesperde vleugels (Heilige Geest).

 
2.5.8. Biechtstoelen
De (geverniste) eikenhouten biechtstoelen in de linker- en rechterdwarsbeuk werden in 1872 gemaakt door Prosper Jacobs uit Ninove en in 1904 overgebracht naar de nieuwe kerk.
 

foto 2013
 

Biechtstoel in de rechterdwarsbeuk: vooraan de beelden van de de Heilige Augustinus en zijn moeder de Heilige Monica. Bovenaan in het bas-relëf, tussen twee engelen, de terugkomst van de verloren zoon.
Biechtstoel aan de overzijde: de beelden van de Heilige Petrus en van de Heilige Magdalena. Het bas-reliëf bovanaan stelt Christus voor met de Samaritaanse vrouw. (15) (16)

 

2.5.9. Orgel
Door de val van de toren was het orgel totaal stuk en besloot de kerkfabriek in 1884 een occasie, hersteld door orgelbouwer Anneessens uit Geraardsbergen, aan te kopen (kostprijs: 3000 fr). (17) Het werd pas in 1885 geplaatst.
In 1904 werd het overgebracht naar de nieuwe kerk en het zou er nog dienst doen tot 1936. Toen werd een 'nieuw' orgel ingehuldigd.

 

Toen ook nog in het Frans!
 

In feite werd een vroeger orgel omgebouwd met gebruikmaking van enig oud pijpenmateriaal (van orgelbouwer P. Van Peteghem uit Gent?). Het kostte 60400 fr; 215 parochianen droegen bij tot de betaling ervan. Later werd het nog aangepast door François Joris en Zonen uit Ronse.
Het orgel heeft 1068 pijpen, twee handklavieren, ieder van 56 toetsen en een voetklavier van 30 toetsen. Met uiterst kwetsbare pneumatische tracturen, die al vlug hun tijd zullen gehad hebben. Het orgel geraakte onbespeelbaar en in 1998 besliste de kerkfabriek een elektronisch orgel aan te kopen ten bedrage van 205400 fr.

 
2.5.10. Klokken
Op 30 september 1850 werd een nieuwe klok ingezegend en toegewijd aan Sint-Gaugericus. Peter was Adrien de Lévis Mirepoix, zijn vrouw Marie Joséphine de Merode was meter. Zij zullen de klok wel grotendeels betaald hebben. Onderaan had de klok een doorsnede van 0,98 m en zonder de klepel woog ze 553 kg.
Zes jaar later, op 14 oktober 1856 werd een zwaardere klok, van 1309 kg, ingezegend en toegewijd aan de Onbevlekte Maagd. (18) Peter was pastoor Adriaan Jozef Van Mollem, meter Adriana Petronilla Walckiers. Deze klok was te Leuven gegoten door A.L.J. Van Aerschodt, had onderaan een doorsnede van 1,30 m en de klepel woog 38 kg.
Opnieuw hingen er 3 klokken in de toren, in orde van zwaarte: de Sint-Gaugericusklok, de Sint--Laurentiusklok (zie hierboven) en de O.-L.-Vrouwklok. (19)
Toen in 1879 de toren instortte kwamen de 3 klokken vanonder het puin ‘nog hangende in den klokkenstoel gansch ongedeerd en ongeschonden'. De twee grootste klokken werden dan onder een afdak tegen de kerk gesleept. De kleinste werd op drie stenen staanders geplaatst, in de voortuin van de koster, die er op de geijkte momenten de klepel tegen de rand sloeg. Tot in 1904, toen de 3 klokken naar de nieuwe kerk verhuisden.
Om die klokken gezamenlijk te laten luiden waren er vier-vijf klokkenluiders nodig; de grootste klok moest immers in beweging worden gebracht door twee-drie man, die aan de drie repen trokken van het op zijn eind gesplitste dikke touw. De twee overige klokken werden elk door één man bediend. Het was een kunst om de juiste kadans te vinden; daarbij gaf de oudste klokkenluider de maat aan. Tot in 1929, toen het luiden werd geëlektrificeerd. (20)
Op 29 juni 1943 viel op de pastorie de brief, d.d. 25/6/1943, binnen waarin de 'Oberfeldkommandantur 672' 'de inlevering van alle bronzen klokken van Uw kerkbestuur' beval, behalve '1 Glocke aus dem Jahre 1824'. De Laurentiusklok mocht dus blijven, de Sint-Gaugericusklok en de O.-L.-Vrouwklok werden weggevoerd. Later schreef pastoor Janssens: ‘Op 15 juli 1943 (21) werd het schelmstuk uitgevoerd: de grote klok (1309 kg) en de kleine (590 kg) werden meegenomen, de middenklok (850 kg) bleef. Na 8 dagen gingen we de toren op om het roverswerk van nabij te bezichtigen. Het deed pijn aan 't hart. Die klokken waren ons lief en heilig. Om ze electrisch te laten luiden moesten we 14 jaar geleden de som van ± 30000 fr. besteden. Daar zaten we nu met de gebroken potten. Weldra werd het slaan van de uren en het kleppen op onze laatste overgebleven klok overgebracht. Helpe ons de Heer weer voort in de toekomst zoals in het verleden.'
De twee klokken werden na de oorlog niet meer teruggevonden en in maart 1948 kreeg de Pamelse kerkfabriek van het ministerie van justitie (commissie der klokken) dan ook het bericht dat de klokken ‘als definitief verloren dienden beschouwd te worden'. Maar in hetzelfde schrijven stond ook dat de kerkfabriek een dossier kon indienen ter vervanging op staatskosten van de geroofde klokken. Het dossier werd ingediend en uiteindelijk kreeg op 4 september 1949 de firma Michiels uit Doornik, als laagste inschrijver (107000 fr), van de kerkfabriek de opdracht 2 klokken te gieten, die op 8 juli 1950 in Pamel toekwamen en de volgende dag werden gewijd: de Sint-Gaugericusklok met onderaan een doorsnede van 0,95 m en een gewicht van 539 kg . Peter was Joseph Kestens, meter Christina De Wit.
 
 

De tweede klok, met een doorsnede van 1,28 m en een gewicht van 1392 kg werd toegewijd aan de Onbevlekte Maagd. Peter was Joseph De Schepper, meter Idalia De Vleeschouwer.
Weer hingen er drie klokken in de toren, maar de oude Laurentiusklok raakte gebarsten, begon vals te klinken en werd in 1956 het ‘zwijgen' opgelegd, maar bleef hangen.
In 1970 werd de luidinstallatie van de klokken en de automatisatie ervan vernieuwd, kostprijs 31700 fr

  2.5.11. Sacristie
 

foto 2013

2.6.1. Stoelgeld
In 1904 werd per misviering 1 cent opgehaald bij elke volwassene. In 1945 bedroeg het stoelgeld voor volwassenen 25 cent en voor de kinderen beneden de 14 jaar 10 cent.
Er waren ook parochianen die een eigen stoel hadden (langs de vrouwenkant de zogenaamde kussenstoelen) en die geen stoelgeld moesten betalen. Maar nu en dan vroeg pastoor Janssens hen toch een speciale bijdrage: in 1930, 10 of 20 fr. te steken in een offerblok in het midden van de kerk, dienstig voor een nieuwe communiebank; in 1937 een kleine bijdrage van enkele franken want ‘om het gerucht te beletten bij het omkeren der stoelen hebben we op de eigen stoelen rondellen in caoutchouc laten aanbrengen zoals bij de nieuwe kerkstoelen.’ De kussenstoelen waren logger en zwaarder en op 27 juni 1948 meldde pastoor Janssens van op de preekstoel dat ‘het de wens was van diegenen die geholpen hadden bij het kuisen van de kerk dat voortaan geen nieuwe kussenstoelen in de kerk geplaatst zouden worden en dat de oude stoelen zouden verdwijnen.'
Vanaf Pasen 1959 werd het stoelgeld gebracht op 1 fr. voor volwassenen en voor kinderen die hun plechtige communie hadden gedaan. Later werd het stoelgeld niet meer opgehaald, maar werd gevraagd 1 fr. te leggen in een mandje achteraan in de kerk, tenslotte werd het stoelgeld afgeschaft.
Opmerkelijk was de beslissing van de kerkfabriek op 6 januari 1935 om het ophalen van het stoelgeld te verpachten. Voor 350 fr per maand haalde Mattheus Van Houthem het stoelgeld op langs de vrouwenkant en onder de lijkdiensten. Alfons De Leeuw deed het voor 300 fr de maand langs de mannenkant en vanaf april 1940 ook in het lof op de grote feestdagen. Wat ze meer ophaalden mochten ze houden. Toen Mattheus verhuisde werd hij opgevolgd door Philemon Van Der Kelen, maar in feite deed zijn vrouw het werk, nu tegen 375 fr de maand. Tot wanneer het stoelgeld werd verpacht is onduidelijk.
2.6.2. Offerblok
Bij het begin van de vasten deelde de pastoor tot in de jaren (19)50 telkenjare mede:
‘De gelovigen die gebruik gemaakt hebben van een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de wet op het vasten en het vleesderven, worden verzocht in het offerblok van de vasten, achteraan in de kerk, een aalmoes te storten, ieder volgens zijn godsvrucht en zijn vermogen.’
Offerblok van de vasten, ook offerblok van het zuivel genoemd. (Verwijzend naar de correlatie tussen ‘vlees derven’, en ‘zuivelproducten consumeren'.)
2.6.3. Verwarming
Vanaf eind 1929 werd de kerk verwarmd met twee kachels, een rechts en een links van de middengang. Wie dicht bij de kachel zat had het heel warm, maar een kerkganger er ver af voelde ze nog nauwelijks.
Begin 1965 werden ze vervangen door een verwarmingsinstallatie met warme lucht, kostprijs 420060 fr. De toen al beschikbare inkomsten bedroegen 228778 fr. Dankzij zomerfeesten in 1965 en in 1966 die 149739 fr. opbrachten, nog aangevuld door negen zondagscollecten kon het nog resterend bedrag ook betaald worden.
 
2.7.1. Oude Pastorie (Oudekerkweg)
In 1904 werd de leegstaande pastorie verkocht aan de Zusters van de Verrezen Zaligmaker uit Sint-Niklaas, die ze in 1906 voort verkochten aan Jan Van Saene.
 
foto 2009: Het lokaal met de blinde (kerk)venstertjes werd in 1875 nog aangebouwd voor 'het houden van vergaederingen of conferentiën der Broederschappen in de kerk opgereght'. (Achteraan vertoont de oude pastorie nog de trapgevel van eeuwen geleden.)
  2.7.2. Pastorie (Brusselstraat)
Gebouwd terzelfdertijd van de kerk, klaar in 1904.
 
2.8.1. Grot van Poelk, op de hoek van de Grotstraat en de Omloopstraat.
 

(vóór de grot, Bernadette, onder afdak)
 
In 1876 richtten 'enige godvruchtige personen' (22), Poelkenaren, op grond van Joanna Catharina Evenepoel, een grot op met zandsteen van de afbraak van het Kasteeltje aan de Nattemeers. De familie Tondeurs schonk het Lieve-Vrouwbeeld. Op Ons-Heer-Hemelvaart 25 mei werd de grot toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes. In de zomer bad men er elke zondag de rozenkrans en in de meimaand iedere avond. Op Ons-Heer-Hemelvaart was er na het lof een 'grote beeweg', waarin de schoolkinderen, leden van alle congregaties en vele parochianen mee opstapten, ook bedevaarders uit omliggende dorpen (23). Aan de grot werd dan gezongen, eucharistie gevierd. In de loop der jaren werd het Lieve-Vrouwbeeld oververfd, vernield, werd Bernadette er (onbegrijpelijk) weggehaald, is de hoge pijnboom gesneuveld, werd het voorpleintje geasfalteerd. Toch bleef de grot een rustpunt voor wandelaars, een gebedsoord voor gelovigen en ook heden (2019) vertrekt er op 30 april 's avonds aan de Kweddenhoek een kaarskensprocessie, wordt er in mei elke dag het rozenhoedje gebeden en is er op Ons-Heer-Hemelvaart om 16 uur een Mariaviering met mis.
Graag had Poelk zoals Pamel en Ledeberg een kerk gekregen. Bij de inhuldiging van pastoor Geeraerts verwees Alfons Vanderschueren ernaar in een opschift op een praalwagen:
 
'Gij, volk van Poelk, gij schijnbaar zo verlaten,
g'hebt toch de Grot om met de Moeder Gods te praten.'
 

2.8.2. Kapellen-kapelletjes, beelden, kruisen
* H. Hartbeeld (op kerkplein, Brusselstraat)
Werk van F. Gijsen, dat op 3 mei 1931 door Kardinaal Van Roey werd gewijd, ter gelegenheid van de 'Groote H. Hartfeesten'. Het is tegelijkertijd een H. Hartbeeld en een beeld van Christus Koning.
* Lievevrouwkapel aan de Gootjesstraat (hoek Keerstraat)
Gebouwd in 1853. Toen een overledene van 'boven'-Pamel nog door haar/zijn buren, al biddend, naar kerk en kerkhof aan de Dender werd gedragen, rustte men hier even uit. Men bad er een tientje en de dragers werden (eventueel) afgelost.
In de jaren (19)70 nog als volgt beschreven: ‘… losstaande O.-L.-Vrouwekapel uit dezelfde tijd als de hoeve … gecementeerde gevel met spitsboognis en een bepleisterd neoclassicistisch interieur.’ (24)
* Kapel van Sint-Jozef (Kapelleke Jozef) op Kriebrug, aan de Pamelstraat/Turfput.
Plausibel is dat de kapel werd gebouwd in 1856 door Petrus De Smedt. Dit zou immers vroeger op de voorgevel/achteraan op het altaar hebben gestaan. Feit is dat de kapel wordt vermeld op een stafkaart van 1860-1873. Een mogelijke aanleiding voor de bouw van de kapel zou het overlijden in 1856 van Adrianus Bogaert(s) kunnen zijn. Adrianus was eigenaar van het perceel waarop de kapel werd gebouwd en langs zijn vrouw (ver) verwant met Petrus De Smedt. (25) Maar het blijft gissen.
Pastoor Van Eyndhoven noteerde in 1894 een processie naar de kapel op de feestdag van Sint-Jozef, 19 maart. Vanaf de jaren (19)10 werd geopteerd voor een andere feestdag van Sint-Jozef, de derde woensdag na Pasen, later verschoven naar de derde zondag na Pasen. Niet alleen vanuit de kerk van Pamel (langs Brusselstraat, Keerstraat), maar ook vanuit de kerk op Ledeberg (langs Puttenberg, Wolvenstraat, Keerstraat) vertrok er een processie, zeker tot begin de jaren (19)60. (26) In de Kriebrugstraat vloeiden beide processies samen en aan de kapel was er dan een gezamenlijk lof, werd er gebeden. Meerdere jaren was de kapel toen ook getooid met een Belgische driekleur, voor Sint-Jozef als patroon van België. Later vertrok alleen nog een processie vanuit de kerk van Pamel. Zo stond er in het parochieblad van 24 april 1969: ‘Deze zondag onze jaarlijkse bedevaart: vertrek uit de kerk te 2u30. Laten we met velen de voorspraak van de H. Jozef afsmeken voor de vrede in de wereld en de eenheid van de kerk.’ Nadat ook deze processie stilviel was er aan Kapelleke Jozef bijwijlen nog een kleine plechtigheid en werd de kapel in maart, de Sint-Jozefmaand, overdag opengesteld. (27)
In februari 2021 zorgden gemeentearbeiders voor een grondige renovatie van de kapel.
* Ze zijn zeldzaam geworden, anno 2021, de kapelletjes van de actie Regnum Mariae die, meestal aangetast door de tand des tijds, nog boven de voordeur hangen. Nochtans werden er in Pamel op 8 december 1962, feest van Onze-Lieve-Vrouw-Onbevlekte-Ontvangenis, en ook de drie volgende jaren, na de avondmis in het totaal 315 kapelletjes plechtig uitgereikt. Ook al konden de gezinnen zo’n kapelletje gratis krijgen, toch betaalde elk gezin er 160 fr. (kostprijs) à 200 fr voor.

 


foto 2021

Daarbij beloofde het gezin o.a. elke avond samen ‘minstens één tientje van de rozenkrans te bidden’ en ook zijn best te doen ‘om altijd en overal, met eenieder, in ware kristene naastenliefde te leven.'
 

2.9.1. Parochieschool (1879-1886)
Op 1 augustus 1879 keurden de liberalen de 'ongelukswet' goed waardoor voortaan in de (Pamelse) gemeenteschool godsdienstonderricht maar mogelijk was op uitdrukkelijke vraag van de ouders en buiten de lesuren. Het antwoord in Pamel was zoals elders. Een schoolcomité werd opgericht dat al in oktober een parochieschool opstartte. Gediplomeerd onderwijzer Daniël D'Hoe (28) werd aangesteld 'om de leergangen te geven' (29), koster Felix De Beenhouwer werd hulponderwijzer. Zij werden geholpen door Joannes De Troyer (14/15 jaar!) (30) en Frans Kestens (15 jaar!). Bijna alle leerlingen van de gemeenteschool liepen over naar de parochieschool, zodat het leerlingenaantal al vlug steeg tot ongeveer 400. Eerst werd les gegeven in de leegstaande lokalen van het jongenspensionaat op Ledeberg, vanaf 1881 in drie nieuw gebouwde klaslokalen, eveneens op Ledeberg.
 
 
Tekening in het archief van de zusters. Drie klassen, elk 10 m x 8,5 m en 4 m hoog. De lokalen staan er heden nog: op de bovenspeelplaats van het I.M.I., met rug naar het bos, nu wel met gerenoveerde voorgevel, met een verdieping erop en een afdak ervoor.
 

Daar de school van de overheid geen subsidies kreeg moesten de kosten (schoolmeubelen, boeken en schoolgerief, weddes van de onderwijzers, ...) (31) betaald worden met het schoolgeld van de kinderen uit de welgestelde families, met de giften van de leden van het schoolcomité en met de opbrengst van een liefdadigheidsconcert dat jaarlijks in de grote vakantie gegeven werd.
Maar in 1884 won de katholieke partij de verkiezingen en kwam er een nieuwe schoolwet die toeliet dat de gemeente in februari 1885 de parochieschool aannam en voortaan o.a. de weddes van de hoofd- en hulponderwijzers betaalde. Echter, de nieuwe schoolwet liet ook toe dat de gemeenteschool godsdienst gaf binnen de lessen, waardoor voor de Pamelse jeugd de belangrijkste reden om naar de parochieschool te komen wegviel. Gevolg, in februari 1885 was het aantal leerlingen op Ledeberg al gedaald tot 224! En anderhalf jaar later was het gedaan met de enige parochieschool die Pamel ooit kende, toen op 21 augustus 1886 de gemeenteraad de opmerkelijke beslissing nam dat vanaf 1 oktober alle Pamelse kinderen naar de gemeenteschool moesten gaan! Daarbij werd Daniël D'Hoe overgenomen als hulponderwijzer in de gemeenteschool. (32)
Het schoolgebouwtje op Ledeberg bleef leeg achter, maar in 1892 vond pastoor Van Eyndhoven 'de' oplossing voor zijn leegstaande lokalen (33): er een meisjesschool in onder brengen en deze toevertrouwen aan een typische onderwijscongregatie, de Zusters der Christelijke Scholen van Vorselaar.

2.9.2. Parochiale bibliotheek Sint-Gaugericus
In zijn 'Beschrijving der Parochie Pamel' vermeldde pastoor Van Eyndhoven eind 1899 al het bestaan van een leesbibliotheek met ongeveer 400 boeken. Ook schreef hij dat er in de winter veel gelezen werd. Na de hoogmis werden er ongeveer 400 katholieke dagbladen verkocht! In 1924 erkende de gemeenteraad de bibliotheek Sint-Gaugericus als 'openbare volksboekerij', in 1930 volgde de wettelijke erkenning door het ministerie van Kunsten en Wetenschappen. Terecht vond pastoor Janssens want zijn boekerij moest 'voor geen enkele andere onderdoen'. Ook na wereldoorlog II kwam de inspecteur regelmatig op bezoek en werd de erkenning telkens verlengd. Het beheer berustte bij de parochie: de pastoor of de onderpastoor was de bibliothecaris, later verzorgde een zuster (o.a. zuster Marie-Borgia en zuster Marie Polexine) samen met één of meerdere vrijwillige medewerk(st)ers het uitlenen van de boeken. Het aantal uitleningen kende hoogten en laagten, bereikte een maximum in 1964 met 10576 uitleningen. Eerst was de bibliotheek ondergebracht in de gemeenteschool, verhuisde later naar de zaal Ons Huis, kwam terug naar de gemeenteschool om tenslotte ondergebracht te worden in de chirolokalen: een viertal kasten, met rolluik. Met de uitleengelden werden nieuwe boeken aangekocht, ook schonk de plaatselijke DF-afdeling vele jaren een pakket boeken (b.v. in 1944 voor 138 fr., in 1959 voor 310 fr., in 1965 voor 288 fr.), maar van levensbelang waren vooral de gemeentelijke subsidies (b.v. 7650 fr. in 1964 en 10000 fr. in 1978). Toen in 1986 de Plaatselijke Openbare Bibliotheek. in Roosdaal werd opgericht was de parochiale bibliotheek op sterven na dood en op vraag van het gemeentebestuur besliste pastoor Uytterhoeven de 2485 boeken te schenken aan de P.O.B. (34), die er 970 boeken uit selecteerde. De parochiale bibliotheek was opgedoekt.

 

2.9.3. zaal Ons Huis (Brusselstraat)
Met de bouw werd begonnen op 24 september 1930. Op tweede Paasdag 6 april 1931 werd de zaal plechtig ingewijd (in aanwezigheid van 2 volksvertegenwoordigers!). Kostprijs, slechts 12000 fr. inboedel inbegrepen, dankzij de hulp van vrijwilligers.
In de namiddag om 2 uur en 's avonds om 7 uur werd er al een film gedraaid: 'Bedevaart der Bonden van het H. Hart naar Carthago'. Voortaan moesten van pastoor Janssens alle activiteiten van de parochiale verenigingen doorgaan in de zaal Ons Huis en aldus was de zaal vele jaren het culturele en sociale trefpunt van de parochie: toneel, film, zangavonden, vieringen, voordrachten (met lichtbeelden), gespreksavonden, tentoonstellingen, 'koffiefeesten', (bestuurs)vergaderingen, leiderskringen, ... ook de parochiale bibliotheek kreeg er een aantal jaren onderdak. Heden (2008) is Ons Huis nog steeds plaats van samenkomst van Pamelse parochiale verenigingen, maar met het inrichten van de keuken werd de zaal toch meer en meer een locatie voor koffietafels bij overlijden, voor communiefeesten, ... en vooral voor eetfestijnen van niet alleen de parochiale verenigingen, maar om financiële redenen ook van pseudo- en niet-parochiale organisaties.
Tot eind de jaren (19)60 behield de zaal haar oorspronkelijke indeling en uitzicht: vooraan het podium, met eronder de 'kelder' waar de toneelspelers geschminkt werden, hun beurt afwachtten, middenin de zaal zelf, achteraan twee kleine lokaaltjes, langs beide zijden van de ingang, en een trap naar het bovenzaaltje 'den Uil', met een schuifraam afgesloten van de grote zaal. Soms werd dat raam opengeschoven om aldus bijkomende plaatsen te creëren; meestal installeerde men op 'den Uil' ook de filmprojector zodat zijn ratelend geluid beneden wat minder stoorde. De daarop volgende jaren kreeg de zaal een nieuwe lambrisering en plafond, ook (luidruchtige) blazers van warme lucht (later vervangen door een centrale verwarming). In de muur langs de pastorie werden toegangen gekapt naar de aangebouwde tapplaats, keuken en toiletten. Achteraan verdwenen de twee lokaaltjes. In 1995-1996 werd de zaal grondig gerenoveerd, brandveiliger gemaakt ('vernieuwd' dak, nieuwe verlichting, voordeur, plafond, binnenschrijnwerk, ...). Uiteraard werden in de loop der jaren ook tafels en stoelen aangekocht, werd de keuken gerieflijker ingericht, ... Al die verbouwingen, aankopen werden bekostigd met de 'bruikleenvergoedingen' betaald door de gebruikers, met de opbrengsten van kerstconcerten en tuinfeesten, en in 1996 dankzij een renteloze lening van 2500000 fr. over 15 jaar verkregen van de gemeente.
De opeenvolgende aanpassingswerken ondermijnden echter de stabiliteit: het plafond begon door te buigen en vertoonde barsten (35), maar vooral de buitenmuur langs de pastorie raakte gescheurd. Toch werd de zaal verder verhuurd tot, o consternatie, ze op 7 november 2008 omwille van de veiligheid moest gesloten worden. Maar onmiddellijk werden de noodzakelijke werken aangekondigd, werd al gezocht naar gelden ... Op 5 juli 2009 werd de vernieuwde zaal ingewijd.

 



------------------------------------------------------------------------
(1) Herman Van Herreweghen: '100 jaar Sint-Gaugericuskerk te Pamel', extranummer DF-Klokje, Davidsfonds Roosdaal, 2003, 244 p. Aldaar p. 221.
(2) In 'Kerk en Leven', Federatie Roosdaal, van 28/11/2018.
(3) Ook de vormelingen van Strijtem, Borchtlombeek en O.-L.-V.-Lombeek ontvingen het vormsel in Pamel.
(4) Volgens pastoor Janssens.
(5) Geschatte kostprijs: 36000 fr. Bijdrage daarin van de gemeente: 8500 fr = 3500 fr van giften in de vorm van hop + 1500 fr van de gemeentebegroting + 3500 fr in de vorm van arbeidsprestaties door de Pamelaars. Werkelijke kostprijs: 40733 fr.
(6) De lambrizering is later door de kerkfabriek van Strijtem aangekocht.
(7) Kostprijs volgens architect Hansotte 11000 fr. De gemeente beloofde een subsidie van 5000 fr. = 1000 fr. in de vorm van arbeidsprestaties door de Pamelaars en 4000 fr. van giften in de vorm van hop. Werkelijke kostprijs: 13230 fr.
(8) Werd het uiteindelijk 4 meter zoals pastoor Van Eyndhoven schreef?
(9) In 1901 werd er nog ingebroken.
(10) Pastoor Van Eyndhoven in zijn 'Memoires'.
(11) Volgens sommige bronnen werd de H. Cornelius onthoofd, volgens andere dan weer niet.
(12) Een dochter trad in bij de zusters Franciscanessen te Strijtem.
(13) Vertaald: Verbreek alle banden met de duivel. Het zout der wijsheid.
(14) Vertaald: Houd de lamp brandend, gij vertrouwde dienares van de Heer opdat, wanneer de Heer naar de bruiloft zal komen, gij hem tegemoet zult kunnen gaan met alle heiligen in de hemel.
(15) Op de zitbank van Christus, de naam van de maker Prosper Jacobs en de datum.
(16) Vroeger stond er in de eerste helft van de zijbeuken langs de muur links en rechts ook nog een eenvoudige biechtstoel.
(17) Volgens Gerard Van Herreweghen was het een nieuw orgel, gebouwd door Petrus Hubertus Anneessens uit Ninove, of door zijn zoon Charles met atelier in Geraardsbergen. In DF-Klokje 38e jg, 2006, aldaar p. 86.
(18) De klok werd gewijd door pastoor Van Camp van O.-L.-V.-Lombeek, die tevens deken was van het district Sint-Pieters-Leeuw.
(19) Het kleine klokje dat in 1794 nog klepte (zie hierboven) was intussen ‘verdwenen'.
(20) Om die elektrificatie en ook de restauratie van de klokkenstoel (gedeeltelijk) te kunnen betalen werd aan de parochianen voorgesteld vóór 1 april 1930 al het luiden van de klokken in één uitvaartdienst te betalen van een later overlijden in het gezin. Daarbij kreeg men een korting want men moest maar drievierden van de gangbare prijs betalen: 157 fr i.p.v. 210 fr (dienst 11 u), 112 fr i.p.v. 150 fr (dienst 10 u), 45 fr i.p.v. 60 fr (dienst 9 u). Een dienst van 8u30 kwam niet in aanmerking! 121 gezinnen schreven in en betaalden in het totaal 12579 fr.
(21) Volgens het ‘voorloopig ontvangstbewijs' op 13 juli.
(22) Pastoor Van Eyndhoven: 'Geschiedkundige aantekeningen', 1899; in archief van de parochie Pamel.
(23) Volgens pastoor Van Eyndhoven, in het totaal 7000!!
(24) In ‘Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen’ 2n Vlaams Brabant Halle-Vilvoorde, 2e druk 1977, 827 p. Aldaar p. 536.
(25) Flor Van Nuffel in ‘Rausa’, tijdschrift van Erfgoed Rausa, 9e jg., nr. 3, juni 2021.
(26) Toen in 1956 de meisjeschiro was opgericht was hun eerste ‘activiteit’ een bedevaart naar Kapelleke Jozef!
(27) Buurtbewoners hebben al die jaren de kapel onderhouden, hielden de sleutel bij: Blondine Van Den Borre, Anna Aerts, Agnes Van Den Borre, …
(28) Die zijn vaste benoeming in de gemeenteschool van Liedekerke opgaf! Merkwaardig toch dat geen enkele Pamelse gemeentelijke onderwijzer, ook niet Jan-Baptist Van den Eeckhoudt, overstapte.
(29) Volgens de memoires van pastoor Van Eyndhoven; in archief van de parochie Pamel.
(30) Met toch een groot verschil in jaarwedde: 1500 fr voor Daniël D'Hoe, 450 fr voor Felix De Beenhouwer en 150 fr voor Joannes De Troyer.
(31) Het eerste schooljaar liepen de kosten op tot 4533,67 fr.
(32) Welke rol speelde pastoor Van Eyndhoven in deze 'afhandeling'?
(33) en tevens voor de overbevolkte klassen van de gemeenteschool, die erdoor halveerden.
(34) Onder bepaalde voorwaarden, o.a. dat de P.O.B. in Pamel-centrum zou gevestigd worden!
(35) Al in oktober 2007 opgemerkt tijdens het grootoudersfeest van het I.M.I. door een der grootouders.
 



 


,