boomstructuur: startpagina >
AZ-index > artikelindex D > artikel


De Kam (Pamel)

Eeuwen hof, brouwerij en herberg
 
Uit volgende aanhalingen kan heel wat geschiedenis gepuurd worden:
1391: 'Item Gielis Reynke(n) ende Margriet syn werdinne hebben ghenomen de camme te Pamele tenen termine van III jaeren lanc ...'
1497: 'Jan lonis ... van eender hofstat daer hij op woent, gelegen te pamele neven de groote linde aenden putte neven de gapenberch, metten ander siden jegen plasvelt'.
1775: '... ten huyse van Peeter van der Meeren' (bewoner van de Kam) 'alwaer men binnen de Prochie van Pamel ende Ledeberch is houde alle dorpsvergaderinghen'.
* Al in 1393 stond er te pamele een camme (1), en ook voordien. Het citaat uit 1497 preciseert: 'neven de gapenberch, metten ander siden jegen plasvelt' (aan de huidige Lange Kamstraat). Omstreeks 1579 werd het hof door de geuzen of Spanjaarden afgebrand en begin 17e eeuw terug opgebouwd. Zo is het te zien op de kaart, getekend in 1643 door Filip de Deyn, waarbij opvalt dat het woonhuis toen stond waar heden (2009) de schuur staat. Waarschijnlijk werd het hof eind 17e eeuw opnieuw grotendeels vernield, ditmaal door Franse troepen. Kort na 1700 werd het herbouwd. Opmerkelijk is dat de hofgebouwen eeuwenlang op hetzelfde perceel grond hebben gestaan; 606 roeden groot omstreeks 1600, heden 1ha 49a wat op hetzelfde neerkomt.
 

* Eigenaars waren de Pamelse heren, o.a. in 1393 Everard Boote die elk jaar als pacht 45 scilden ontving. Rond 1400 vroeg Niklaas Vijt jaarlijks 40 schellingen als brouwrecht en voor het hof en de grond een cijnsrecht van 4 schellingen per jaar, een kapuin en 30 eieren met Pasen. In 1673 bedroeg de pachtprijs 230 pond en 4 tonnen bier. Afstammelingen van de heren van Pamel bleven eigenaar tot hertogin Charlotte Félicité Philomène Lévis de Mirepoix op 20 april 1921 de hoeve en 4ha 40a 86ca land en weiden verkocht aan Henri Remi Van Havermaet en zijn zwager Jan-Baptist Couck.
* 'Camme', verwijst naar brouwerij. Ook de 'putte', in 1571 'camput' genoemd, verwijst ernaar; een brouwerij had immers water nodig. Het was een 'bantcamme' (aldus vermeld o.a. in 1670) die van de heren van Pamel het alleenrecht kreeg om binnen een ban of rechtsgebied te mogen brouwen. Uiteraard was het er ook herberg. Op enkele onderbrekingen na (wanneer de Kam afbrandde) werd er gebrouwen en was het er herberg, zeker tot 1840.
* Dat het hof in 1497 'neven de groote linde' stond, de gerechtsboom bij uitstek, alsook dat er in latere goederenbeschrijvingen van de Kam telkens naar werd verwezen zijn aanduidingen dat de Kam ook zetel was van de schepenbank. Het andere bewijsmateriaal is eerder schaars, toch zijn er enkele verhoren bewaard gebleven over Pamelse herbergruzies in de 18e eeuw waarover baljuw, meier en schepenen, allen aangesteld door de heer van Pamel, in de Kam hebben gevonnist.
* In de Kam vergaderde ook het leenhof, dat de heer van Pamel vertegenwoordigde wanneer bij erfenissen of verkoop de nieuwe leenman 'verhef' moest doen van zijn leen (2). Tot dat leenhof behoorden doorgaans de schepenen, samen met andere aanzienlijke leenmannen.
* Dat Pamel vanuit de Kam bestuurd werd blijkt ook uit het citaat uit 1775, tot ... de feodale instellingen na 1794 door de Fransen werden opgedoekt.
* Drie brouwers-herbergiers-pachters werden al genoemd: Gielis reynkins (vermeld in 1393), Jan lonis (1497) en Peeter van der Meeren (1765, 1769, 1775). Vroegst gekende bewoner was Adam Bormans (ca. 1375), gevolgd door Jacob van den Lecborre (1391). Verschillende bewoners waren ook prominente figuren in Pamel. Zo waren Cornelis van Opdenbosch (1525 ...), jonker Ingelbert Clocman (1559, 1571) (3) en Mattheus Hendrickx (begin 17e eeuw) te Pamel ook baljuw. Gillis van Houthem (1685) was rentmeesteer van de heer, Jan Appelmans (1697, 1702) (4) was schepen en lid van het leenhof, evenals de reeds vermelde Peeter van der Meeren. (5)
Deze laatste werd in 1775 opgevolgd door Jan-Filip van Havermaet. Hij was er pachter, brouwer en herbergier, stamvader van nu al zes generaties Van Havermaet in de Kam. Zoon Jan-Jozef volgde hem in 1819 op. Hij overleed in 1831 en werd opgevolgd door zoon Jan-Baptist die echter al in 1840 stierf. Waarschijnlijk was hij de laatste pachter die ook brouwer en herbergier was. Zijn twee kinderen bleven verweesd achter. Pas na 14 jaar voogdij werd in 1854 de achtienjarige zoon Petrus Jozef de pachter van de Kam. Hij wachtte tot 1881 om te trouwen en toen hij in 1898 stierf waren ook zijn kinderen nog minderjarig. Zijn weduwe hertrouwde, bleef op het hof. In 1921 werd zoon Henri Remi samen met zijn zwager Jan-Baptist Couck eigenaar van de Kam, maar het was Henri Remi die er bleef inwonen en het landbouwbedrijf verder zette. Hij stierf in 1949, zijn weduwe boerde verder, geleidelijk aan samen met de opgroeiende kinderen. Zoon Jean trouwde in en nam begin de jaren (19)70 de Kam over.


------------------------------------------------------------------
(1) Ook dat al in 1559 de weide aan de overkant van de straat de 'cammeersch' werd genoemd 'bewijst' de hoge ouderdom van de camme.
(2) Bij deze leenoverdracht betaalde de leenman (uiteraard) een belasting aan de heer.
(3) Zijn dochter Agnes werd in de kerk van Pamel begraven. Nu staat haar kleine zerksteen tegen de kerkmuur op Ledeberg.
(4) Kwam van het hof te Zijpe.
(5) Andere pachters waren o.a. Pieter de Ruwe (midden 15e eeuw), Gillis Maes (begin 16e eeuw), Jan van Opdenbosch (rond 1520), Niclaes de Dobbeleer (midden 17e eeuw), de broers Hendrik en Jan Jozef Kestens (van ca. 1735 tot ca. 1761).