boomstructuur: startpagina >
AZ-index > artikelindex O > artikel


Onze-Lieve-Vrouw

Parochie O.-L.-V.-Lombeek

Opgedeeld in twee tijdperken, voor en na 1808 (overlijden van de controversiële pastoor Vonck).

1. - 1808

1.1. Waarschijnlijk al in de 9e eeuw ontstaan rond een straatkerkje (1), afhankelijk van/bediend vanuit de parochie Lennik; en/of door de aanwezigheid in de omgeving van een borcht (een eeuw later?), ook borchtkerkje (geworden), en alzo onafhankelijk(er) van Lennik? Feit is dat in 1112 bisschop Odo van Kamerijk, in een oorkonde, het ‘altare de Lombeccha' schonk aan het kapittel van Nijvel, tevens het oudst gekende schriftelijk bewijs van het bestaan van een ‘altare', een kerk te Lombeek. Opmerkelijk, in die oorkonde was er nergens sprake van een band met Lennik. Toch zal nog meer dan honderd jaar de on-/afhankelijkheid van de parochie wisselen met het al of niet resideren van de pastoor, ... een periode waarin er daarover ook betwistingen waren. Intussen bloeide de bedevaart naar Onze-Lieve-Vrouw, de patroonheilige (2), groeiden de offeranden, wat er mede toe leidde dat Lombeek ca. 1253 door Nicolaas II, bisschop van Kamerijk, officieel tot een afzonderlijke parochie werd verheven, gescheiden van de moederparochie (Lennik). (3) Dat is af te leiden uit een oorkonde (4) uit 1253, gericht aan de abdis en het kapittel van Nijvel, waarin ook werd gesteld dat de parochie niet groter mocht zijn dan het grondgebied van de lokale heer Egidius. Het convent van Nijvel bleef nog vele eeuwen het hoofd, de patrones van de parochie, en droeg aldus ook meestal de pastoor voor. Daar kwam ca. 1796, tijdens de Franse overheersing een einde aan. In 1803 werden de parochies anders ingedeeld en daarbij werd de kerk van O.-L.-V.-Lombeek tot ‘ecclesia parochialis' gepromoveerd, met 9 succursalen (waaronder Pamel en Borchtlombeek-Strijtem) en met pastoor Vonck aan het hoofd, die aldus beloond werd voor zijn medewerking aan de uitvoering van het concordaat.

1.3.1. Pastoors
1641 - 2/8/1678: Cla(er)bouts Jan
juli 1682 - juli 1699: De Pape Augustinus, gaf het mirakelboekje 'Weldaden ...' uit.
1708 - 1734: Weverbergh Carolus
1734/1736 - 1778/1780: Beyl Jacobus
1780 - 23/5/1808: Vonck Hiëronymus Benedictus

1.3.2. Kosters
ca 1699 - 28/4/1744: Yernaut Jan
ca 1748 - 14/8/1795: Van Audenrode Gerard

1.3.3. Hondenslagers
In 1650 kreeg Cornillis Obberts volgens de kerkrekening 2 sisters rogge voor de honden ‘uut de kercke te slaene'.
Als ordebewakers waren de hondenslagers de voorlopers van de kerkbaljuws of suisses.

  1.4.1. Vereringen
* Onze-Lieve-Vrouw
 

foto 2010

 
Beeld van ca. 1400, staat in een nis boven het linker zijaltaar. De staande Maria heeft een S-vormige lichaamshouding, wat karakteristiek is voor de periode van de gotiek. Zij houdt in de rechterhand een lelie (scepter), symbool van zuiverheid en koninklijke macht. Het Kind houdt met beide handjes een vrucht vast (5), verwijzing naar Christus als nieuwe Adam. Omstreeks 1970 werd het gepolychromeerde beeld op onvakkundige wijze overschilderd.
 

Wanneer de eerste pelgrims naar Onze-Lieve-Vrouw van Lombeek kwamen is niet geweten. Zekerder is dat het er midden 13e eeuw al heel wat waren. In 1304 werd de pastoor geholpen door een kapelaan die voor de bedevaarders dagelijks de mis opdroeg en de pastoor bijstond in de officies (6); in 1305 werd er een tweede kapelaan aangesteld, later nog een derde! Ook in de 15e -16e eeuw bloeide de bedevaart. Voor de pelgrims werden ‘menighvuldige huysen' gebouwd (7); niet minder dan 51 ‘weldaden' (mirakelen) werden opgetekend in een register, de meesten gedateerd van 1436 tot 1519. Toch moet het in de tweede helft van de 17e eeuw, door oorlogen wat bergaf zijn gegaan want ca 1685 gaf pastoor de Pape het register als ‘Boeckjen' uit ‘op dat het zy: eenen spoorslagh, om de verflouwde Devotie tot Godts Moeder, in haer oudt Miraculeus Beeldt tot Lombeeck, te doen her-leven.' Ook zorgde hij er op 7 september 1698 voor dat het Mariabeeld, negen jaar voordien omwille van oorlogsgeweld (8) in het Begijnhof te Brussel in veiligheid gebracht, ‘met groote solemniteyt ende devotie ende toeloop van volck' werd teruggeplaatst. Al in 1701 volgde een tweede druk van het mirakelboekje.

* Sint-Hubertus
Midden 17e eeuw schonk Gerard van Villers (9) de eerste ‘Reliquiën van St. Huybrecht' aan ‘de parochiale kerk der plaets van O.L.V.-Lombeke'. Aldra kwamen er bedevaarders tot Sint-Hubertus bidden ‘wiens byzondere bescherming is tegen kwellingen der kwaede geesten en de vreede woelingen van de raezende menschen' (10) en werd hij zowat de tweede patroonheilige.
Vlug na de schenking is door de pastoor ‘en andere godvrugtige Geloovigen ... verzogt geweest' te mogen ‘op te regten en in te stellen ... een Broederschap' van Sint-Hubertus. Met instemming op 18 mei 1661 van paus Alexander VII, gaf aartsbisschop Andreas Creusen van Mechelen daartoe, bij Bulle van 23 maart 1662, de toelating. Daarbij bepaalde hij ook de ‘Regelen' met o.a. wanneer en hoe de leden een Volle Aflaat konden verdienen. (11)
In 1689 werden de relikwieën van Sint-Hubertus eveneens in het Begijnhof van Brussel in veiligheid gebracht en bij de plechtige terugkeer in 1698 geplaatst in een verguld reliekschrijn (links van het rechter zijaltaar) (12), geschonken door prins Eugeen-Alexander von Thurn und Taxis. (De prins schonk toen ook relikwieën van Sint-Leonardus geborgen in een identiek schrijn, dat rechts van het rechter zijaltaar staat. De verering van Sint-Leonardus is in O.-L.-V.-Lombeek nooit doorgebroken.)

 

foto 2012
 

De schrijnen hebben de vorm van een sarcofaag, waarboven een borstbeeld met mijter, het ceremoniële hoofddeksel van een bisschop (Sint-Hubertus) of abt (Sint-Leonardus).‘De meester die dese (relikwie-)kassen heeft gesneden is geweest Cornelis Sterck. Den vergulder is geweest Dasseur'. (13)

 

In 1710 was de toeloop van bedevaarders, vooral op de feestdag van Sint-Hubertus (3 november), zo groot dat ‘presbyter' (pastoor) Weverbergh een hulppriester vroeg, want ‘Alle weken comen aldaer pelgrims door dewelcke den presbyter wederom nieuwe laesten moet draeghen met bight, wydinghe des broots etc. Meer besonderlyck op den feestdagh van den vs. heylighen, alswanneer meer dan twee oft dry duysent pelgrims syn commende ...'
Ook onder pastoor Jacobus Beyl, die midden 18e eeuw zelfs ‘plaeckbrieven voor de St. Huybrechts-feestdagh' liet drukken, kenden Broederschap en verering veel bijval, zo blijkt uit de opbrengsten in de kerkrekeningen. De bedevaarders, die aan alle voorwaarden hadden voldaan, ontvingen voor drie stuivers een zgn. 'aflaat-riem' van de H. Hubertus, als bewijs van de aflaten die ze hadden verdiend.

1.5.4. Altaren
* Hoofdaltaar
(foto zie hierna 2.5.4.)
Op basis van jaarring(en)onderzoek van zeven beeldjes mag verondersteld worden dat het retabel is gebeeldhouwd in de periode  1525-1535 (14). Ook wordt algemeen aangenomen dat het retabel in oorsprong bedoeld was als achterstuk van het hoofdaltaar.
Opdrachtgever was waarschijnlijk de Onze-Lieve-Vrouwparochie zelf, die als frequent bezocht bedevaartsoord over voldoende inkomsten beschikte om de aankoop van het kunstwerk te financieren. Of was het een schenking van het (rijke) kapittel van Nijvel dat het patronaat over de parochie waarnam?
Zeker is dat de opdracht toekwam in een Brussels atelier. Op de onderlijst van de kast is immers het hamer-merk ingeslagen dat in Brussel als merkteken gold voor goede houtkwaliteit. Ook de opengewerkte fries waarmee het retabel onderaan is afgeboord en de omgekeerde T-vorm van de centrale kast verwijzen naar een Brusselse afkomst.
Verscheidene kunstenaars werden in de loop der jaren als mogelijke beeldsnijder van het retabel vernoemd, Jan en Passchier Borman, Jean van Lombeke, De Meester van Lombeek, maar uiteindelijk is hij die het retabel sneed niet bekend. ‘In ieder geval was het een uiterst talentvolle kunstenaar die smaak, verbeelding en technische vaardigheid op een zeer suggestieve wijze met elkaar wist te verbinden.’ (15) Waarschijnlijk was hij niet de enige beeldsnijder, want volgens onderzoek van het Koninklijk Instituut voor het Kunstonderzoek te Brussel (K.I.K.) onderscheiden in een tweetal taferelen enkele beelden zich lichtjes van de andere door hun getorste houding en enige gekunsteldheid.
Stilistisch is het retabel te situeren in de overgangsfase tussen de laatgotiek  en de renaissance. De houding van de personages en de compositie van de ruimtes (met plaatselijke decors uit begin 16e eeuw) doen nog laatgotisch aan. Maar tegelijkertijd vallen renaissance invloeden op o.a. in sommige decoratieve details (bv. op trappaaltjes), in de westerse kleding (bv. jurken met vierkante versierde halsuitsnijding) en de kapsels van de vrouwen.
In deze context werden verhalen uitgebeeld uit het begin van de christelijke tijdrekening, meer bepaald in negen nissen belangrijke gebeurtenissen uit het leven van Onze-Lieve-Vrouw. De beeldsnijder heeft dit gedaan ‘… met veel zin voor detail en anekdotiek. In elk tafereel zijn de hoofdpersonages door vele andere expressieve figuren omringd; hun houdingen zijn soepel en gevarieerd, hun kledij en accessoires zijn met finesse weergegeven.’ (16) Voor enkele taferelen baseerde hij zich op de evangelies, voor andere op apocriefe teksten.
De negen nissen werden in het eikenhouten retabel verspreid over het middenpaneel en twee grotere en twee kleinere zijluiken. (17)

Werd het retabel ooit gepolychromeerd, kleurig beschilderd?
- Erop antwoorden is vragen stellen!
Werd indertijd afgeweken van de gewoonte te polychromeren omwille van de hoge kwaliteit van het snijwerk? Zijn de inscripties die werden gegraveerd een aanduiding dat het niet de bedoeling was te polychromeren? Of werden die inscripties later aangebracht? En waarom vertonen verschillende banderollen dan weer geen inscripties? Omdat ze bij het polychromeren geschilderde inscripties zouden krijgen? Heeft Sohest bij zijn restauratie in 1848 de aanwezige verflaag verwijderd, wat in de 19e eeuw bij verschillende retabels gebeurde?
- Maar er is ook één vaststelling!
In het kader van de laatste restauratie werden in 1983 bij microsonde onderzoek op twee monsters geen sporen van een polychromie- of preparatielaag waargenomen! (18)

Eertijds was het retabel enkel geopend op feestdagen. De opening, het weer kunnen aanschouwen van de gebeeldhouwde taferelen moet dan voor de kerkgangers telkens een wonderbaarlijke belevenis zijn geweest. Maar in de achterzijde van de zijluiken van het Mariaretabel zaten beschilderde panelen (19) zodat de gelovigen wanneer het retabel dicht gevouwen was, toch nog geschilderde taferelen konden zien.
Vermeldenswaard is ook nog dat het retabel in 1580, om het te behoeden voor vernieling, zou zijn verborgen en als bij wonder gevrijwaard van brand.

Bij speciale gelegenheden wordt aan de voorkant van het altaar een antependium geplaatst.

 


foto 2014

Het werd in het kartuizerklooster te Brussel in 1736 geborduurd, doorweven met gouddraad. In het midden een medaillon, waarin Bruno van Keulen (stichter van de kartuizerorde) knielt voor Christus op het kruis.

In 1775 werd in het koor de plaatsing beëindigd van een houten barok/rococo portiekaltaar door Simon Joseph Duray (beeldsnijwerk) en Livinius Maes (schrijnwerk). Daarin werd het schilderij van ‘De aanbidding der wijzen’ opgenomen. Werd het schilderij toen aangekocht of hing het al in de kerk?
 


Het Mariaretabel werd waarschijnlijk voordien verplaatst naar het linker zijaltaar.

* Zijaltaren
- Linker zijaltaar
Vermoedelijk omstreeks 1772 werd het Mariaretabel verplaatst naar het linker zijaltaar. In 1793 werd dat houten zijaltaar vervangen door een marmeren altaar vervaardigd door Joseph Rutty. Toen werden de grotere zijluiken van het retabel onder het middenpaneel geschoven en werd het retabel geplaatst in een uitgekapte uitsparing in de muur. (20) (Of gebeurde dit al in 1772?)
 


Verticale opstelling binnen een dikke houten omlijsting.

Wat gebeurde er met de beschilderde panelen die in de achterzijde van de grotere zijluiken zaten en die bij deze verticale plaatsing hun zichtbaarheid zouden verliezen? In 1855 schreef Alphonse Wauters: ‘Un seul fragment subsistait encore', dat in de mate dat men het nog kon bezien de verschijning van Christus voorstelde na zijn verrijzenis aan zijn moeder (19), of was het aan Maria Magdalena? Een mogelijke hypothese is dat bij de verticale opstelling van het retabel de beschilderde panelen in zo’n slechte staat waren (21) dat men ze heeft verwijderd, op één paneel na dat bovenaan het retabel werd gezet, dat nog onscherp zichtbaar is op de foto hierboven en (het enige paneel) waarover Wauters het had. Waarschijnlijk werd dit paneel dan eveneens verwijderd toen begin 20e eeuw het retabel terug naar het hoofdaltaar werd verplaatst. Maar er is ook de hypothese dat de (andere) beschilderde panelen bij de verticale opstelling in de luiken bleven, vlakbij de vochtige buitenmuur waardoor de schilderingen verder volledig afschilferden, ... panelen die dan allen begin 20e eeuw werden verwijderd?
Vermeldenswaard is zeker dat het retabel in de periode dat het achter het zijaltaar stond:
 - in 1848 werd gerestaureerd;
- in 1888 en in 1905 te Brussel werd tentoongesteld;
- in de jaren (18)90 een gipsen afgietsel kreeg.

Het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Lombeek stond rechts van het zijaltaar, omringd door ex-voto's en kaarsen, tot het daar in een nis werd geplaatst die eind 19e eeuw aan de lambrisering werd toegevoegd. (Waarin men later het andere Mariabeeld heeft geplaatst.) Heden staat het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Lombeek in een nis boven het linker zijaltaar.

- Rechter zijaltaar
In 1810 werd ook dit houten zijaltaar vervangen door een marmeren, een kopie van het linker zijaltaar. Heden staat op dit zijaltaar een bukshouten tafereel, gesneden in de 18e eeuw dat de 'Bekering van Sint-Hubertus' voorstelt, die met jachthoorn en weitas, knielt voor het kruis tussen het gewei van het hert, omringd door enkele jachthonden en met bovenaan een engel.
 
1.5.5. Preekstoel
In 1739 besteld en in 1743 geplaatst. Jacobus De Coninck (22) (23) uit Brussel beeldhouwde/sneed aan de voet de ‘Bekering van Sint-Hubertus'; om de ene tak van de eik die de preekstoel torst, een slang, symbool van het kwaad, tegengehouden door een engel, op de andere tak een engel met kruisbeeld, teken van de verlossing; vooraan op de kuip de ‘Verkondiging aan Maria' door de engel Gabriël, met lelietak in de hand, symbool van Maria's maagdelijkheid. Op het klankbord symboliseert een duif de H. Geest, omhuld door een stralenkrans.
Specifiek is de dubbele trap.
 

foto 2010
 

De totale kostprijs bedroeg 2137 gulden en 10 stuivers (o.a 966 g. 10 st. aan de beeldhouwer, 900 g. aan de schrijnwerker F. Godier, 55 g. aan de Lombeekse smid Christiaen Pauwels, … en 107 g. aan Enghel Beyl, brouwer-herbergier ‘over monteten, drinckebier ende slapen van belthauwers ende schrijnwerckers').

1.5.6. Beelden
* Kruisbeeld dat hangt onder de triomfboog.
Christusbeeld uit de eerste helft van de 16de eeuw
Het beeld werd vervaardigd in een Brussels atelier en was onderdeel van een calvariegroep, met ook de beelden van Maria en van de apostel Johannes, maar deze twee beelden werden in 1974 gestolen.
(Bekroonde deze calvariegroep oorspronkelijk, zoals soms elders gebeurde, het retabel? Beiden dateren uit dezelfde periode. Werd de calvariegroep, toen het retabel ca. 1772 naar het zijaltaar verhuisde, eraf genomen omdat er geen plaats voor was? Het blijven hypotheses.)
* Beelden op hoek schip/koor

 
foto 2019

links: Maria met Jezuskind
beeld van ca. 1480
Wat een contrast met het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Lombeek. Hier, beiden ongekroond, Maria schroomvoller en een Jezuskind dat je vief aankijkt.







rechts: Bisschop
beeld uit de eerste helft van de 16de eeuw
Een bisschop (of abt) omdat hij een mijter draagt.
Over wie het beeld voorstelt werd wel wat gespeculeerd, maar is niet geweten omdat andere kentekens ontbreken. Waarschijnlijk droeg hij die in zijn rechterhand die heden mankeert.

 
foto 2019

* Christus op de koude steen
Staat in de middenbeuk, rechts achteraan.
Beeld uit de eerste helft van de 16e eeuw


foto 2019









Christus werd ontdaan van zijn kleren en draagt enkel nog een lendendoek. Zijn boetekleed ligt onderaan de steen, een mouw ervan is gedrapeerd over de steen waarop hij, in afwachting van de kruisiging wat rust. Geboeid met touwen rond armen en handen houdt hij in de rechterhand een stok, bedoeld als scepter of is het de rietstok waarmee hij werd gegeseld? Het hoofd met doornen gekroond, vertoont een realistische gelaatsuitdrukking met tranen in de ogen. De baard is prachtig gesculpteerd. Onderaan rechts verwijst een schedel naar de plaats van de kruisiging, Golgotha (schedelplaats) en ligt links een ongewoon attribuut, een spijkerblok (dat in de passiedevotie soms gebruikt werd voor zelfkastijding).


1.5.7. Schilderij
De aanbidding der wijzen
Hangt sinds het begin 20e eeuw verwijderd werd uit het hoofdaltaar, meer achteraan in de rechter zijbeuk.
Het is een schilderij op doek uit de tweede helft van de 17e eeuw (24), gerestaureerd in 1976. (25)
 


foto 1989

Melchior, de oudste der wijzen knielt voor Maria en het Jezuskind. Achter Maria staat Jozef, naast Melchior de twee andere wijzen Balthazar en Caspar en nevens hen herders. De drie wijzen/koningen vertegenwoordigen naar leeftijd elk een levensfase van de mens en zijn naar huidskleur symbool voor de verscheidenheid der volkeren. Zij bieden goud, mirre en wierook aan.

1.5.9. Archiefkoffer uit de 15e eeuw, links van de ingang:
 


foto 2015

Stond vroeger in de sacristie en werd in het Oud-Regime 'comme' of 'ferme' genoemd. Hierin werden zowel gemeentelijke (er was geen gemeentehuis) als kerkelijke documenten opgeborgen, ook werd er geld (van kerk en gemeente!) in bewaard. Blijkbaar vond men de kerk veiliger dan een burgerhuis.

 
1.5.10. Orgel
Op 15 september 1753 kreeg de Brusselse orgelbouwer J.-B. Goynaut van de Lombeekse kerkmeesters de opdracht een tweemanualig orgel te bouwen. Op 28 juli 1755 werden Christian Bogaert, meester schrijnwerker te Meerbeke, en opnieuw Jacobus De Coninck, meester beeldhouwer te Brussel, aangezocht de orgelkast en het doksaal te construeren. Goynaut was te Lombeek vernieuwend. Bij hem verdrong het opkomend neoclassicisme al gedeeltelijk de heersende rococo, maar beide kunststromingen bleven toch aanwezig: minder versiering, meer functionele lijnen, geen pijpenbundels maar brede lichtgolvende pijpenvelden (26) (27), Korinthische zuilen maar ook musicerende putti, en ... ook nieuw in die tijd, bovenaan een uurwerk. Opmerkelijk daarbij was de integratie van de orgelkast met het doksaal. Tien jaar later werd aan Bogaert en De Coninck ook gevraagd eronder het tochtlokaal af te sluiten. Orgel, doksaal en tochtlokaal werden één geheel , slank in opbouw (hoogte 2x de breedte).

 

1.5.11. Klokken
In 1740 werden drie klokken aangekocht: de grootste toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw, de middelste aan de H. Hubertus en de kleinste aan de H. Leonardus.
In 1793/94 roofden de Fransen alle drie deze klokken en moest de parochie het dus zonder klokgelui stellen. Tot in 1804, toen ter plaatse door klokkengieter Roelants een nieuwe klok werd gegoten, ca. 800 kg wegend en toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw. Volgens het Latijnse opschrift werd ze betaald door de parochiekerk, die ‘in onrechtvaardige tijden van haar klokken beroofd'. De klok werd gewijd door pastoor-deken Vonck, meter was J.F.L. van Bellingen, peter haar zoon baron Joseph M.H.G. van Volden. Met ‘Santa Maria sit nobis concordia.' werd de ganse inscriptie hoopvol beëindigd.

1.6. Pastorie
Eind 18e eeuw geschiedden in/aan de pastorie grote vernielingen; in oktober 1789 door de Oostenrijkers, in mei 1790 door de Statisten en in oktober 1798 door terugtrekkende Boerenkrijgers.
 
-------------------------------------------------------------------------
(1) Langs de weg van Nijvel over Halle naar Vlaanderen, waar deze de Lombeek kruiste.
Verbesselt J.: ‘Het Parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13e eeuw' Deel XXII, uitg. Koninklijk Geschied- & Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1988, 570 p. Aldaar p. 78.
(2) Meegekregen van Lennik waar de patroonheilige toen nog O.-L.-Vrouw was.
(3) Volgens Joris De Beul werd de parochie maar zelfstandig in de 14e eeuw. In ‘De tienden van de abdij van Nijvel te Lennik', Eigen Schoon en de Brabander, 94e jg nr 3. Aldaar p. 77.
(4) Oorkonde van Godfried van Leuven en zijn vrouw Maria.
Waarin zij ook vroegen ‘de persona, die wij voor de bediening van de parochie hebben voorgedragen, te willen aanstellen.'
(5) Volgens sommigen is het geen vrucht maar een wereldbol.
(6) Zo blijkt uit een onderzoek naar de inkomsten van de parochie op verzoek van bisschop Guido van Kamerijk.
(7) Pastoor de Pape in 1685. Hij voegde eraan toe: ‘van welcke noch vele over-blyfselen worden gevonden'.
(8) Bij het begin van de negenjarige oorlog (1689-1697).
(9) De reden van de schenking door deze Henegouwse edelman is niet gekend. Zijn naam komt nergens anders voor in de Lombeekse geschiedenis.
Bij testament schonk in 1750 Henricus Franciscus Huybrechts, heer van Strijtem en Lombeek, eveneens relikwieën van de H. Hubertus (uit de kapel in het kasteel van Strijtem) aan de kerk van O.-L.-V.-Lombeek.
(10) In de Bulle van 23 maart 1662.
(11) Later ook bevestigd door hun opvolgers.
(12) Voor de zegeningen is er ook nog een miniatuur relikwieschrijn in zilver.
(13) Volgens pastoor De Pape.
(14) Hannah De Moor: ‘Het Mariaretabel van Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek’, Masterproef KU Leuven, 2016, Volume 1, XXIII + 62 p. Aldaar p. 9. De datering bij andere auteurs schommelt echter van eind 15e eeuw tot ca. 1540.
(15) In ‘Vlaanderens Erfgoed’, Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg, nr. 67, februari 1981. Aldaar p. 23.
(16) In ‘Bezoekersgids’ van 2006. Aldaar p. 22.
(17) Het middenpaneel: hoogte 241,5 cm, breedte 264,5 cm; de grotere zijluiken: hoogte 131,5 cm, breedte 131,5 cm; de kleinere zijluiken: hoogte 103 cm, breedte 65 cm.
(18) Hannah De Moor: o.c. (noot 14). Aldaar pp. 23-27.
(19) Alphonse Wauters:‘Histoire des environs de Bruxelles’, pp. 268-270. Volgens hem dateerden de schilderingen van omstreeks 1430. Heeft men dan een eeuw later in de achterzijde van de zijluiken van het Lombeeks retabel beschilderde panelen geplaatst die ouder waren dan het retabel zelf?
(20) Vernomen van Yves Van Schepdael en ook 'dat toen het retabel begin 20e eeuw terug naar het hoofdaltaar verhuisde, de muur weer werd aangevuld met een wittere steensoort, wat men nu nog duidelijk ziet.'
(21) Het blijft echter raden naar de oorzaak van die belabberde toestand: ouderdom, verfsoort, vochtigheid, ...?
(22) Deed ook het snijwerk van de Stijtemse preekstoel.
(23) Sommigen, o.a. Jef Vrancken in ‘Pajottenland, een land om lief te hebben' (op p. 25) schrijven de preekstoel toe aan Laurent Delvaux, beeldhouwer aan het hof van de Ooostenrijkse keizerin Maria Theresia, maar uit het parochiearchief blijkt duidelijk dat Jacobus de Coninck de preekstoel sneed. Volgens Yves Van Schepdael, in 'Kerk en Leven' van 4/11/2020, was Delvaux de ontwerper.
(24) In het tijdschrift ‘Brabant’ van april 1984 meent Bert Van den Broeck door vergelijking met andere schilderijen te kunnen aantonen dat Gaspard De Crayer de schilder is.
(25) Volgens Arnold Blockerije in de brochure ‘De kerk van O.L.V.-Lombeek’ uit 1987 werd het schilderij in 1974 gerestaureerd door Bert Van den Broeck.
(26) Met onder het rugpositief een medaillon met het bouwjaar 1753.
(27) Volgens de kerkrekeningen werd vanaf toen jaarlijks een vergoeding aan de orgelblazer uitbetaald!
 


2. 1808 -


2.2. Kerkfabriek
2.2.1. Voorzitters
1832: Verheyden Maximiliaan

2.2.2. Leden
1991: Van Bellinghen Petrus Jozef

2.3.1. Pastoors
24/6/1833 - 18/10/1880: Van Camp Franciscus
1885 - 11/12/1912: Ooms Jan Lodewijk Albrecht
1912 - 1933: Ponchaut Gustaaf Joseph
10/11/1957 -31/12/1969: Broos Leo
1970 - 1/5/1983: De Gendt Jules

2.3.2. Onderpastoors
1880 - 1885: Ooms Jan Lodewijk Albrecht

2.3.3. Kosters
1846 - 1867: De Beenhouwer Joannes Gaugericus
1867 - 26/8/1904: Billiet Richard

2.4.1. Vereringen
* Onze-Lieve-Vrouw
Bedevaarders bleven naar Onze-Lieve-Vrouw van Lombeek komen. Zo was er in 1878 nog een ‘groote toeloop tot deze eeuwenoude bedevaartplaats'. (1) Vele jaren, o.a. in 1927 was er elke zaterdag een mis ter attentie van de bedevaarders. Onze-Lieve-Vrouw werd toen o.a. tegen de kinkhoest aanroepen. (2) Er was zelfs gezegende wijn tegen de ziekte te verkrijgen.
Later, vanaf de jaren (19)60, vervingen ‘inentingen de wijn' en viel de bedevaart grotendeels stil. Wel trekt er nog steeds (anno 2015) jaarlijks, ‘naar eeuwenoude gewoonte' begin september (de aloude bedevaartdag was 8 september) een Maria- en Sacramentsprocessie door de straten.

* Sint-Hubertus
In 1835 liet pastoor Van Camp: ‘Kort Begryp' drukken ‘van het leven en opregting des Broederschaps onder het aenroepen van den H. Hubertus, byzonderen patroon tegen de raezerny en woedende ziektens, zoo onder de menschen als onder de beesten, in de parochiaele kerk van Onze-Lieve-Vrouwe-Lombeek by Ninove. Verrykt met veele gunsten en aflaeten ...' Vooral bedoeld als handleiding voor de leden van de ‘Broederschap van Sint-Hubertus'. Voor 3 fr. werd men er toen lid van voor het leven. Onder impuls van pastoor Van Camp steeg het ledenaantal van 122 in 1834 tot 500 in 1852 (1872?) en talrijk waren ook de bedevaarders. Maar naar het einde der 19e eeuw toe liep zowel het ledenaantal van de Broederschap als de komst van bedevaarders terug. De ontdekking van een entstof tegen razernij in 1886 zal daar niet vreemd aan zijn geweest. In de 20e eeuw versnelden de twee wereldoorlogen het verval en gaf de ontkerkelijking de genadeslag aan de Broederschap (die kerkrechterlijk nochtans blijft voortbestaan). Van de verering rest heden (anno 2020) nog het wijden van het brood op/rond 3 november.
 

(3)

2.5.1. Kerkgebouw aan de Koning Albertstraat

2 5.2. Glasramen (4)
* Glasramen boven het linker en rechter zijaltaar
Het kleurrijk roosvenster links werd in 1952 gebrand door de Brusselse kunstglazenier Jacques Colpaert, met taferelen uit het leven van Onze Lieve Vrouw. Het werd geschonken door dom Franco de Wyels.
Ook in 1952 schonk Frans Van Cauwelaert het roosvenster rechts, met beelden uit het leven van de Heilige Hubertus. Vermoedelijk is dit glasraam eveneens van Jacques Colpaert.

* Glasramen links en rechts van de ingang
Het zijn emailglasramen waarvan geweten is dat ze een felle doorzichtigheid missen.
Het brandglasraam links, geschonken door de stad Antwerpen als hommage aan Frans Van Cauwelaert, werd in juni 1976 in aanwezigheid van het bijna voltallige Antwerps college van burgemeester en schepenen ingehuldigd. Het is van de hand van kunstglazenier Jan Huet die er het Steen, de haven, de kathedraal, het stadhuis, het stadswapen en de Vlaamse leeuw op afbeelde.
 

foto 2007
 
In opdracht van de kerkfabriek van O.-L.-V.-Lombeek en het gemeentebestuur van Roosdaal brandde Huet toen nog een tweede glasraam, opgedragen aan Jan Frans Vonck, ingezet rechts van de ingang. Jan Frans was een van de leiders van de Brabantse omwenteling, maar ook de broer van pastoor Vonck wiens grafmonument buiten onder het raam staat. Behalve een portret van Vonck zijn op het glasraam ook een soldaat met Brabantse kokarde op de jas, een trommel, oogstrijpe akkers en een feestmarkt afgebeeld.

2.5.4. Hoofdaltaar
In 1889/1896 was er binnen de kerkfabriek consensus over het verplaatsen van het retabel naar het hoogkoor, maar het zou nog tot 5 juli 1908 duren vooraleer de kerkfabriek gunstig  advies gaf voor een nieuw hoofdaltaar, wat ook werd uitgevoerd vermits er in 1913/1914 binnen de kerkfabriek sprake was van de verkoop van stukken van het voormalige portiekaltaar. Intussen was het schilderij ‘De aanbidding der wijzen’ in de rechter zijbeuk gehangen en was het Mariaretabel opgesteld in het hoogkoor met de twee grotere zijluiken langs weerszijden van het middenpaneel, als achterstuk van het nieuwe hoofdaltaar.
 


foto 2019

Mariaretabel, een indrukwekkend mooi, kunstzinnig beeldverhaal.

Vermeldenswaard is zeker dat het retabel sinds het opnieuw in het hoogkoor staat:
- in 1913, 1974 en 1981 door diefstal werd geschonden;
- in 1930 te Antwerpen en in 1971 te Leuven werd tentoongesteld;
- tijdens de Tweede Wereldoorlog zou zijn verborgen in een kelder in de tuin van de pastorie;
- in 1981-1983 werd gerestaureerd;
- in 2015 werd opgenomen in de Vlaamse topstukkenlijst.

 
2.5.6. Orgel
In 1823 werd het orgel onderhouden/uitgebreid door Pierre II Van Peteghem uit Gent. Waarschijnlijk ingrijpender heeft P.H. Anneessens uit Ninove in 1857 het orgel omvormd: ‘vernieuwing en vermeerdering der orgel met de registers ... met vergrooting der kas ...'. Was het Lombeekse orgel in origine een viervoets, of eerder een zesvoetswerk dat nu tot een achtvoetstype werd opgehoogd? (5) In de loop der volgende jaren werden nog wel reparaties uitgevoerd, echter geen grote transformaties. Tot de firma Loncke uit Zarren in 1973 het instrument grondig aanpakte: meubel, front- en binnenpijpwerk, klavieren, tractuur, registertractuur, windladen en windwerk werden vervangen en/of gewijzigd. Wel bleef de orgelkast behouden in de toestand van 1857, met verhoging van het hoofdwerkfront. Ging Loncke meer terug naar de oorspronkelijke opbouw? Uiteraard zijn heden Goynaut, Van Peteghem en Anneessens nog aanwezig in het instrument, maar toch is het voornamelijk een Loncke-orgel, voldoende onderhouden (met nog een grote onderhoudsbeurt in 2008) om er de ‘Historische Orgelconcerten' op te laten doorgaan.
 

foto 2016
 

2.5.7. Klokken
In 1872 werden in de toren, naast de klok uit 1804, twee nieuwe klokken opgehangen. (6) Ze waren gegoten door klokkengieter Van Aerschot uit Leuven. De grootste woog ca. 1125 kg , was toegewijd aan Christus de Verlosser, had als meter J.M. Magd. van den Heuvel en als peter J. Van Holder. Van de kleinste, ca. 520 kg wegend en toegewijd aan de H. Jozef was Paulina Walravens de meter en J. Anselmus de Weyls de peter. Beide klokken werden op 9 juli 1872 door pastoor-deken Van Camp gewijd.
Begin juli 1943 haalden de Duitsers de grootste en de kleinste klok weg. Volgens een proces-verbaal sloegen zij daartoe van de bestaande opening tussen toren en middenbeuk de omlijsting uit blauwe hardsteen stuk en zaagden zij in de torenhal twee steunbalken en een dwarsligger door. Ook werden de bovenste treden van de trap weggerukt, het uurwerk ontregeld, ... In die wanorde bleef de middelste klok uit 1804 alleen achter. De wanorde werd hersteld en na de oorlog kreeg de kerkfabriek een staatstoelage van 103000 fr voor twee nieuwe klokken die er in 1951 ook kwamen.
 
 


2.6.1. Pastorie
De huidige pastorie aan de Koning Albertstraat werd opgetrokken in de 19e eeuw, in neo-Vlaamse renaissancestijl, met trapgevels en kruisramen. De verticaliteit van het centrale gedeelte wordt versterkt door de verlaagde bijgebouwen links en rechts.

 


foto 1988

Nadat ze vanaf 1970 niet meer werd bewoond door de pastoor verloederde de pastorie. Uiteindelijk werden in de tweede helft van de jaren (19)80 dan toch renovatiewerken uitgevoerd zodat de pastorie opnieuw bewoonbaar werd en de parochiale raden en de catecheselessen er konden in doorgaan. Begin de jaren (19)90 werden ook nog dringende herstellingen aan de trapgevels uitgevoerd.
2.6.2. Sint-Hubertushuis, nieuwe pastorie
Na een overeenkomst tussen pastoor De Gendt en het gemeentebestuur werd begin april 1983 aan de rand van het oude kerkhof begonnen met de bouw van een nieuwe pastorie, werken die een maand later echter werden stopgezet bij het overlijden van de pastoor. Begin 1990 werd het  onafgewerkt gebouw afgebroken

2.7. Parochiezaal
Gebouwd in de eerste helft van de twintigste eeuw achter het klooster, tegen(over) de klaslokalen (7), te bereiken vanaf de Koollochting via de voetweg achter Rokkenborch. Tot diep in de jaren (19)60 werd er ‘conseir’ gespeeld. Maar toen de plaatselijke jeugdbewegingen ophielden te bestaan werd de zaal veel minder gebruikt. Daarenboven was er na het vertrek van de zusters in 1973 nog weinig oplettendheid en bracht het in de nabijheid aangelegde volleybalplein ook slenterende jongeren mee. De zaal werd hun mikpunt van vandalisme en ook door leegstand verloederde ze zo erg dat ze begin de jaren (19)80 ‘moest’ worden afgebroken.

2.8. Acties ten voordele van ...
- een nieuwe kleuterschool
 


1984, ook de jaren nadien, zeker tot in 1990.


2.9. Kruisen, kapellen-kapelletjes
* Kruis met Christusbeeld in gietijzer, tussen twee 'levensbomen', op de hoek van de Lombeekkeitse en de Koning Albertstraat, vele jaren in mei vertrekpunt van een 'beeweg'.
 


foto 2021

 
* Sint-Hubertuskapel: gebouwd in 1844, achteraan op het kasteeldomein Rokkenborch langs de Koollochting, in uitvoering van het testament van Nicolaas Van Der Gucht die er 200 fr voor doneerde, te weinig want de kerkfabriek moest bijleggen. En zoals door hem gevraagd werd zijn naam gebeiteld in een steen, gemetseld in de achtergevel. In de eerste helft van de twintigste eeuw werd de kapel afgezonderd op het kasteeldomein, door haag en hek afgesloten. Binnenin de kapel getuigt heden alleen nog het arduinen altaar, geschonken door pastoor Van Camp, van vroeger. Waarschijnlijk heeft het eikenhouten beeld van Sint-Hubertus (laat 16e eeuws) dat nu in het kasteel wordt bewaard, er ooit op gestaan. Vroegere jaren werden op Palmzondag aan de kapel de palmtakjes gewijd, om daarna onder her zingen van ’Lauda Jeruzalem’ in processie naar de kerk te gaan. Heden (2020) houdt de processie op kermisdag er nog even stil voor een korte aanbidding en de zegen van het Sacrament. (8)
* Kapel van O.-L.-Vrouw van Zeven Smarten/Weeën, aan de Molenkauter, thans (2021) door verwaarlozing en vandalisme vervallen tot een ruïne. (9) In het bakstenen altaar met houten altaarblad was een driehoekige arduinen steen gemetseld, waarin gegrift: ‘Deze kapel is gebouwd ter eere van OLV. van zeven weeën door Petrus Josephus en Jacobus Van Laethem en Maria Apollonia De Weerdt echtgenote van Jacobus 1874.’ In de jaren (19)70 werd ze aangekocht door Jozef Van Bellinghen en Rosa Van Den Haute die de kapel opknapten. Hun kleinzoon Matthias heeft ze na hen nog verschillende jaren onderhouden. ‘Op de nok van het dak stond vroeger vooraan een groot smeedijzeren kruis met aan de voet ervan een hart, doorboord met 7 dolken of messen, symbool van de 7 weeën van Maria.’ (9) Binnen viel voorheen het beschilderd natuurstenen beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën op, gesculpteerd door Felix Rombaux.
* Kapel van O.-L.-V.- van Bijstand aan de Windmolenstraat. Bovenaan een arduinen kruis, eronder achter het zwarte smeedijzeren deurtje van de nis, een plaasteren Onze-Lieve-Vrouwebeeld; 'OLVrouw van Bijstand, help ons’ is er gebeiteld in de gebogen lijst van de nis. Op het paneel onder de nis staat verder vermeld: ‘Gedenkenis van de echtgenoten Cornelius Schets, Renildis De Decker, 1910’. Zij lieten deze arduinen kapel kappen, waarschijnlijk uit dank voor een genezing, vermoedelijk door Robert Van Belle uit Ninove, wiens naam staat in de voet van de kapel.
* Kapel van O.-L.-Vrouw van Fatima, aan de Derrevoortstraat. Omdat ‘Den Hoek' gespaard bleef van oorlogsgeweld beloofden Philippine De Neef en Lisa Goossens een kapel te bouwen; er werd een collecte gehouden en Coletta Segers en August Timmermans stonden een stukje grond af. Omstreeks 1948 werd de kapel dan gebouwd, met op de kroonlijst ‘Ga hier niet voorbij, of zeg eens: Moeder bid voor mij.' en eronder op de voorgevel 'Ave Maria'. Binnenin het (plaasteren) beeld van O.-L.-Vrouw, geplaatst op een rood geverfde balk, waarop ‘O;-L.-Vrouw van Fatima bid voor ons'. In 2005 werd de kapel grondig gerenoveerd, het Mariabeeldje opnieuw gepolychromeerd en op 3 mei werd de kapel weer ingewijd.
* In de Derrevoortstraat staat ook de kapel van O.-L.-Vrouw van Bijstand.
 
(10)
Met op de witte stenen:‘O.-L.V. van Bijstand' en ‘Mariajaar 1954'
foto 2015
 

Het waren Richard Tielemans-Celestina Clement die de kapel in 1954 uit dankbaarheid lieten bouwen. Tot op heden (anno 2021) wordt de kapel onderhouden door dochter Mia Tielemans en is er jaarlijks in mei een gebedsstonde waarop telkens het oude lied van O.-L.-Vrouw van Altijddurende Bijstand wordt gezongen.
* Kapel van O.-L.-Vrouw, gebouwd in 1951 aan de Hunselberg door Omer Schets uit dankbaarheid voor een genezing. (11)
* Kapel volledig in baksteen, ook het dak. Binnenin het beeld van O.-L.-Vrouw van Lourdes. Gebouwd aan de Koning Albertstraat, op de ‘Grote Wegom', door Jozef Leemans en Adèle Van Laethem. 'Uit dankbaarheid' staat er gebeiteld op de arduinen steen onderaan, omdat hun zoon Karel herstelde nadat hij een stamp op het hoofd kreeg van een paard.

 

-------------------------------------------------------------------------
(1) St. Schoutens: ‘Maria's Brabant ' 1878.
(2) Maho: ‘La Belgique à Marie' 1927.
(3) In 'Kerk en Leven' van 4/11/2020.
(4) De glasramen waren op 7 november 1944 door een bominslag in de omgeving zwaar beschadigd.
(5) Potvlieghe Ghislain: ‘Orgels in het Pajottenland', Heemkundige Kring Gooik, uitg. De Draak, 2016, 328 p. + CD. Aldaar p. 63.
(6) Waarschijnlijk hingen er voordien naast de klok uit 1804 ook al twee, zij het kleinere klokken, één die 148 kg woog en één van 95 kg, die in 1872 aan Van Aerschot werden verkocht, in mindering van de prijs van de nieuwe klokken.
(7) De bovenverdieping van een klaslokaal dat tegen de parochiezaal was gebouwd deed meerdere jaren dienst als ‘processiekamer’ voor het bewaren van de benodigdheden en kledij van de processie.
(8) Yves Van Schepdael in ‘Rausa’, tijdschrift van Erfgoed Rausa, 9e jg, 2021, nr 1. Aldaar p. 14.
(9) Yves Van Schepdael in ‘Kerk en Leven’ van 30 juni 2021.
(10) Oorspronkelijk moest het een grotere kapel worden, toegankelijk voor wie er wou bidden. Maar pastoor Bouchez vreesde dat het zo een schuiloord voor o.a. vrijende koppeltjes zou worden!
(11) Heden, anno 2021, nog steeds eigendom van zijn erfgenamen.
 
  wordt aangevuld