boomstructuur: startpagina >
AZ-index > artikelindex P > artikel


Pamel

Gemeente tot 31/12/1964
 
Opgedeeld in twee grote perioden:
- vanaf de eerste tekenen van bestaan tot 1795. Toen schaften de Franse bezetters hier de feodale rechten en structuren af en gaven ontstaan aan de communes of gemeenten;
- van 1795 tot 1964. Op 1/1/1965 hield de gemeente Pamel op te bestaan en ging ze op in de fusiegemeente Roosdaal.

1. -1795

1.1. Pamel
Al in 1179 vernoemd als Pamela, in 1195 Pamala, daarna o.a. in 1307 apud Pamellam, in 1662 Pamelen.
Het toponiem is zeer oud, zou Indo-Europees van oorsprong zijn, hetgeen aanleiding geeft tot 2 onderscheiden etymologische verklaringen:
- vertrekkend van‘pa-' wat verwijst naar ‘voederen, weiden' (cfr. Latijn pabulum = voeder, fourage, gras); Pamel is dan een plaatsnaam die duidt op weidegebieden. (1) (2)
- of uitgaande van het (door de Germanen gereïnterpreteerde en uitgebreide) ‘bham' + suffix ‘alã'; ‘bham' = schitterend, verwijzend naar de meersen die blank stonden in de winter. Pamel is alsdan een waternaam om de meersgronden langs de Dender te benoemen. (3)
In juni 1880 schreef de gouverneur aan de gemeenteraad dat de gemeente voortaan Pamel heette, zonder a/e als slotletter.

1.2. Inwoners
 

jaar

1572
1614
1618
1628
1654
1665
1670
1685
1693
1711
1719
1737
1755
1774
1792

inwoners
(4)
583
600
500
833
916
933
771
810
769
916
1000
1250
1296
2000
2166

 

* De daling van 993 in 1665 naar 771 in 1670 is o.a. te wijten aan de pest die in Pamel tussen die jaren hevig woedde.
* Gedurende al die jaren bleef de oppervlakte constant: 1086 ha .

 

1.3.1. Heren en Vrouwen van Ledeberg/Pamel
Van 1162 tot 1188 worden drie heren van Ledeberg vermeld: van Ledeberg Simon, van Ledeberg Gotinus/Gosxin, van Ledeberg Wouter/Hawel
1188 - ca. 1239: van Ledeberg Willem I
ca. 1239 - ca. 1245: van Ledeberg Egidius/Gillis
ca. 1245 - tussen 1282 en 1290:van Ledeberg Willem II
Deze heren van Ledeberg woonden in hun burcht op de Ledeberg en waren vazallen van de heren van Grimbergen, die toen ook heren van Ninove waren.
Intussen was het Ledebergse leen opgesplitst in een Ledebergs en een Pamels leen, dat wel leenhorig was aan het Ledebergse, met eerst wellicht van Pamel Bernard, daarna met van Pamel Godfried. Van Godfried is zeker geweten (1267) dat hij leenman was van Willem II van Ledeberg en dat hij in de kasteelhoeve woonde aan de (huidige) Oudekerkweg.
uiterlijk 1290 - ca. 1307: van Pamel en Ledeberg Jan, herenigde de twee lenen. Waarschijnlijk liet hij het kasteel in de Kammeersen bouwen.
ca. 1307 - ca. 1345: van Pamel(e) en Ledeberg Margaretha x Reinier de Bornival x Jan Meeuwe
Intussen ressorteerde Pamel onder het nieuw opgerichte leenhof van Gaasbeek (5) en onderhandelden Margaretha van Pamel en Ledeberg en Jan Meeuwe met Hendrik van Leuven, slotvoogd van Gaasbeek. Tot in 1319 hun respectieve rechten werden bezegeld in een akte opgesteld door een groep voorname Brabantse edelen, optredend als scheidsrechters in aanwezigheid van Jan III van Brabant. Vanaf toen hing de heerlijkheid Pamel-Ledeberg duidelijk af van het leenhof van Gaasbeek, maar dan toch met een veeleer beperkte invloed van Gaasbeek. Afhankelijkheid die duurde tot in de 17e eeuw.
* De akte waarborgde een aantal rechten van Margaretha van Pamel en Ledeberg- Jan Meeuwe, en hun opvolgers.
- recht op verhef
Overleed een leenman die een volle leen hield, dan betaalden de erfgenamen 11 peters (6) als erfenisrecht; voor de andere lenen betaalde men zoveel als het goed jaarlijks opbracht. Werd een dezer lenen verkocht, dan ontving de heer een tiende van de koopsom.
- recht op pondgeld
Kwamen de cijnsgronden door overlijden of verkoop in andere handen dan was men de vrouwe/heer pondgeld verschuldigd, wat overeenkwam met 6,66 % van de waarde of van de koopprijs. Poorters betaalden dubbel.
- visrecht op de Dender
Van de Wolfputbeek tot aan de brug van Impegem.
- molenrecht
Waardoor een molen er maar kwam onder hun voorwaarden.
- kamrecht
Wat inhield dat alleen zij een kamme of brouwerij mochten oprichten en dat niemand op zijn erf mocht brouwen zonder hun toelating, noch vreemde bieren invoeren zonder kammagiegeld of bieraccijns te betalen. Ieder inwoner was aldus verplicht zijn bier te kopen of te laten brouwen in de bankamme(n).
- recht de preter of prater te benoemen
Een gerechtelijk officier die instond voor de toepassing van de agrarische gebruiken, overdag en ’s nachts de gepikt staande oogst bewaakte, de vreemde arenlezers weerde of bekeurde en de uitgebroken dieren naar hun schuilhok bracht. (7)
- begevingsrecht
Of het recht de kosters van de kerk van Pamel en van de kapel van Ledeberg aan te duiden. Een oud adellijk prerogatief, oorspronkelijk onwettig toegeëigend, waaraan ook goederen en inkomsten verbonden waren.
* De akte expliceerde ook dat de rechtspraak samen met de heer van Gaasbeek moest gebeuren. Beide partijen stelden daartoe elk een baljuw aan, de ene mocht niet manen zonder de andere, tenzij het om erfgoed ging van de vrouwe/heer van Pamel-Ledeberg. Die twee baljuws vormden samen met twee schepenen, aangeduid door Margaretha en Jan Meeuwe, de schepenbank. De inkomsten van de boeten werden onderling verdeeld. Wel werden bevoorrechte groepen als de Sint-Pietersmannen en de buitenpoorters van Gaasbeek (wevers, volders, leerbewerkers, …) vertoevend in Pamel, berecht in Gaasbeek.
* Uit cijnsboeken bleken nog andere rechten van de vrouwe/heer van Pamel-Ledeberg zoals:
- het recht op een part in de goederen van bastaarden die geen kinderen nalieten;
- het gedeelde recht met de heer van Gaasbeek op de jacht;
- ook het gedeelde recht op het 'beste pant' of de 'hooftstoel' bij overlijden, zowel van man als vrouw, m.a.w. het recht op het meest waardevolle roerend goed, een paard, een koe, een pluimen bed, een kledingstuk, een juweel, ... of de waarde ervan. (8) (9)
ca. 1345 - ca. 1378: van Waver Jan II
ca. 1378 - 1391: van Waver Margaretha/Margriet x van Aarschot-Schoonhoven Jan
1391: van Schoonhoven Jan
1391 - ca. 1397: Boote Everard x van Schoonhoven Margriet
Ten tijde van Everard Boote behelsde zijn rechtsmacht zowel de middelbare (over kleine overtredingen, geschillen, …)  als de lage jurisdictie (over verkoopakten, testamenten, …): ‘… heeft een heere van pamele alle de heerlecheit half hoghe ende neder dlyf nemene ende gheven’. Later in de 15e eeuw kreeg de heer van Pamel er ook de hoge jurisdictie (zware misdrijven) bij, zeker tot in de 16e eeuw; o.a. uitgeoefend door Jacques de Croy.
Getuigen van die middelbare/hoge jurisdictie waren de pilorijn of schandpaal, op de hoek van de Kamstraat en de Kerkhofstraat en de galg, die er zeker eind 15e eeuw al stond, op de grens Pamel-Gooik: ‘neeven den groeten herwech ende neeven mahieu cyclien lant daer nu de gerechten (= galg) staen’
ca. 1397 - 140x: Vijd Nicolaas
140x - 143x: Vijd Joos
143x: Vijd Mabelie x Raes Godfried
25/7/1439 - ca.1460: Raes Gundola x Vilain Jean
ca. 1460 - 148x: Vilain Gundola x de Montmorency Jean/ Vilain Margaretha x van Kruiningen Adriaan
148x - 12/9/1501: van Kruiningen Jan
12/9/1501 - 150x: van Borsele(n) Floris
150x - 15xx: de Montmorency Margaretha x van Hoorn Arnold
15xx - 25/2/1538: van Hoorn Maximiliaan
25/2/1538 - 1555/15xx: van Hoorn Anna x de Croy Jacques
15xx - 1617: de Croy Anna x de Montmorency Nicolaas
1617 - 1664: de Croy Anna x d'Ongnies Claude
1664 - 1709: d'Ongnies Côme Claude
1709 - ca.1723: d'Ongnies Ferdinand Joseph
ca. 1723 - 1740: d'Ongnies Antoine Henri
15/2/1725: Vanuit zijn kasteel in Brugelette liet hij aan de schepenen van Pamel weten dat hij advocaat de Faux als schepen-rechtsgeleerde had uitgekozen, in vervanging van de overleden advocaat Koelen. Een schepen-rechtsgeleerde was een advocaat die de Pamelse schepenbank juridisch advies moest verschaffen in moeilijke omstandigheden. Er werd vrij vaak een beroep op hem gedaan.
1740 - 7/7/1774: d'Ongnies Maximilienne Thérèse x de Croy Alexandre
Onder haar kregen de heren van Grimbergen, die zich intussen prinsen/princessen noemden, het in Pamel opnieuw feodaal voor het zeggen, nog voor een halve eeuw.
7/7/1774 - 18/6/1791: d'Ongnies Othon Henri
Van ’Sijne Exc. den Prince d’Ongnyes van Grimbergen’ kwamen in Pamel geregeld missiven toe ‘gesegelt met sijnen wapen schild in rooden wasch’ om o.a. een nieuwe baljuw aan te duiden (1775, 1784), een nieuwe officier te benoemen (1777), schepenen nieuw aan te stellen of hun mandaat te verlengen (o.a. in 1779, 1784, 1787).
18/6/1791 - ca. 1795: d'Ongnies Marie Joséphine x de Merode Guillaume Charles
Laatste vrouwe van Pamel.
Het wapenschild van de familie d’Ongnies (10) werd bij Koninklijk Besluit van 27 december 1910 gemeentewapen van Pamel.

1.3.2. Baljuws
155x: van Opdenbosch Cornelis (11)
1559 - De Vlaminck Joos (11)
ca. 1570 - ca. 1582: Jonker Clocman(s) Ingelbert
ca. 1620 - 1677: de Regnaucourt Carolus
1702 - 1736: Claessens Adriaen
1737 - 1746: Lasandre Sebastianus Franciscus
1746 - 12/5/1775: Van den Bossche Judocus Henricus
31/5/1775 - 8/1/1784: Blockmans Engelbert

1.3.3. Meiers
ca. 1615 - 1668: Evenepoel Peeter
1669 - 1721: Walckiers Joos
8/11/1729 - 17xx: Lasandre Sebastianus Franciscus
ca. 1757 - 8/1/1784: Blockmans Engelbert

1.3.4. Eerste schepenen/maires/burgemeesters
ca. 1675 - 1682: de Regnaucourt Balthasar
1682 - 1700: Appelmans Peeter
1700 - 1705: Geeroms Jan
ca. 1720 - 12/6/1741: van Tricht Joos
1750 - 1757: Van der Stappen Jan-Baptist
1758 - 1779: Straetmans Jan
1779 - 1787: Van den Heuvel Arnold Petrus

1.3.5. Schepenen
in 1635: Appelmans Cornelis
in 1665, 1679: Van Bouchout Peeter
voor 1720: van Tricht Joos
na 1700: Covens Hendrik
vanaf 1742: Covens Carel
1746 - 1750: Van der Stappen Jan-Baptist
1757 - 1776: van Tricht Jan-Baptist
vanaf 1787: Covens Hendrik

1.4.1. Griffiers
1675 - 1/4/1717: Gillis Nicolaas

 

------------------------------------------------------------------------
(1) In ‘De Vlaamse Gemeentenamen', Uitg. Davidsfonds Leuven, 2010, 331 p. Aldaar p. 200.
(2) De 'b' zou dan 'm' zijn geworden zoals 'hebben' in het dialect 'hemmen' wordt
(3) Bernard Roobaert: ‘Een overzicht van de dorpsnamen van West-Brabant' in ‘Eigen Schoon en de Brabander', 91e jg, 2008, nr 4. Aldaar p. 484.
(4) De getallen van de jaren 1685, 1693 en 1755 komen uit tellingen van de ganse bevolking. De andere getallen zijn gebaseerd op het aantal communicantes (paasplichtigen) vermeld in decanale verslagen. Omdat hierin de kinderen jonger dan 14-15 jaar niet werden meegeteld, werden die aantallen vermenigvuldigd met 5/3 om aldus bij benadering het aantal inwoners te bekomen. De zo verkregen getallen van 1774 en 1792 zijn hoger dan die uit andere bronnen. Sommigen vermenigvuldigen met b.v. 3/2, wat lagere getallen geeft.
(5) Opgericht in 1236 door Hendrik II van Brabant, die het aan zijn broer Godfried van Leuven gaf. Maar of Pamel toen reeds tot het leenhof van Gaasbeek behoorde is te betwijfelen. Van Gaasbeekse ‘overheren’ is er in het archief van de abdij van Ninove in de loop van de dertiende eeuw geen spoor te bekennen.
Kwam die switch van 'Grimbergen' naar 'Gaasbeek' er (vooral) doordat Jan Meeuwe bastaardzoon was van Hertog Jan 1 van Brabant?
(6) Gouden munt.
(7) In 1391 schonken de boeren hem een schoof graan voor zijn bewaking, maar hij moest wel 2 mud haver afstaan aan de heer.
(8) Geweten is dat zeker in 1396 sommige ingezetenen van Pamel eraan wisten te ontsnappen door zich te laten optekenen als poorters van Geraardsbergen.
(9) Gerard Van Herreweghen: ‘Het oudste cijnsboek van Pamel (1391)’ in Eigen Schoon en de Brabander, mei-juni 1964. Aldaar pp. 182-188.
(10) In de heraldische terminologie: een veld van sinobel (= groen) met een faas (= dwarsbalk) van hermelijn (= wit bont met zwarte hermelijnstaartjes).
(11) Aangesteld door jonker Floris van Arckenteel die als schuldeiser van de familie van Hoorn het recht kreeg te Pamel een baljuw aan te stellen. Na het overlijden van Cornelis stelde de jonker ook nog de Ninovieter Joos De Vlaminck aan.

  2. 1795-1964

2.1. Inwoners
 

jaar

inwijkingen

uitwijkingen

geboorten

overlijdens

inwoners

1826
1830
1845
1857
1866
1880
1890
1900
1910
1920
1930
1940
1950
1960
1964




3
21
15
44
39
82
165
143
213
199
151
195




4
32
45
91
81
123
156
198
122
220
167
152




67
101
95
73
107
139
90
101
96
102
93
112



69
80
51
60
64
64
64
70
52
104
71
103
63

2116
2495
2948
2557
2843
3126
3105
3285
3764
4001
4422
4715
4973
5225
5318

 

* De daling van 2948 in 1845 tot 2557 in 1857 was een gevolg van mislukte aardappel- en graanoogsten, van tyfus en cholera, ...
* Tot 1921 waren de mannen in de meerderheid: b.v. in 1830: 1301 m en 1194 v, in 1880: 1615 m en 1511 v, in 1921: 1995 m en 1994 v; tot 1940 zijn het de vrouwen: b.v. in 1922: 2017 m en 2019 v, in 1940: 2335 m en 2380 v; tot 1946 schommelen de meerderheden: b.v. in 1941: 2356 m en 2348 v, in 1946: 2421 m en 2439 v; dan zijn er weer meer mannen dan vrouwen: b.v. in 1950: 2523 m en 2450 v, in 1964: 2684 m en 2634 v.
* Zij woonden op een oppervlakte van 1086/1072 ha.

 
2.3.1. Burgemeesters
1797 - 1799: Walckiers Jan-Baptist
1800 - 1803: Geeroms Arnold Petrus
1803 - 1806: Walckiers Jan-Baptist, maire in de moelijkste jaren van de Franse Tijd.
1808 - 1812: van Overstraeten Joannes
1813 - 1820: Claus Jerôme Claude Henri
1821 - 1827: Van Bellinghen Judocus Joannes, stelde vanaf 1823 de geboorte-, huwelijks- en overlijdensakten op in het Nederlands.
1857 - 1878: Baveghems Petrus Joannes, bouwde gemeentehuis en gemeenteschool aan de Brusselstraat en gaf aldus ontstaan aan het huidige centrum van Pamel.
10/3/1879 - 16/9/1907: Tondeurs Frans stemde voor de bouw van een nieuwe kerk en pastorie in Pamel-centrum.
17/8/1907 - 11/8/1921: Van Mieghem Frans loodste Pamel door wereldoorlog I
12/8/1921 - 31/12/1958: De Schepper Joseph loodste Pamel door wereldoorlog II.
 

foto 1947, vlnr raadslid Charles De Vidts, raadslid Sylvain Schouckens, schepen Albert Roosens, raadslid Jozef Cautaerts, burgemeester Joseph De Schepper, raadslid Petrus Covens, schepen Frans Vanderschueren, raadslid Jozef Bogaert, hoofdonderwijzer Jozef Staels, onderwijzer Hippolyte Elpers, raadslid Frans Jan Segers, raadslid Jan Beyl.
 

1/1/1959 - 31/12/1964: Roosens Albert

Tot en met de verkiezingen van 1911 ging de strijd tussen de Kasjers en de Doempers, met alleen van 1908 tot 1921 een doemper-burgemeester. Maar soms was een Kasjer wel burgemeester, maar met twee Doempers als schepenen (zoals na de verkiezingen van 1899), of was een Kasjer burgemeester en waren een Kasjer en een Doemper schepenen (zoals na 1903), of was een Doemper burgemeester en waren twee Kasjers schepenen (zoals na 1907), of was een Doemper burgemeester met een Kasjer en een Doemper als schepenen (zoals na 1911). Berustte dit op een afspraak tussen beide partijen of had dit te maken met het aantal behaalde stemmen? Vanaf 1921 tot en met de verkiezingen van 1952 streden de Doempers en de Mettes om de macht, met steeds een meerderheid voor de Mettes, soms nipt (in 1938 met 6 zetels op 11), soms ruim (in 1946 met 9 zetels op 11). In 1946 was er ook een derde (communistische) lijst, maar niemand werd verkozen. Bij de verkiezingen van 1958 tenslotte werd de oude indeling van Doempers en Mettes, nog een relict van de aloude rivaliteit tussen Ledeberg en Pamel, opgeheven en hengelden CVP en BSP naar stemmen. De CVP (met zowel Mettes als Doempers op de lijst) haalde 10 van de 11 zetels.

2.3.2. Schepenen
1/1/1872 - 31/12/1903: van Tricht Tiburce
1/1/1900 - 16/9/1907: Van Mieghem Frans
1/1/1904 - 13/12/1933: DeVidts Homère
1/1/1912 - 22/10/1915: van Tricht Tiburce
1921 - 29/7/1925: Vanderschueren Petrus Jan
10/8/1925 - 31/12/1946: Roosens Jules Cesar
19/12/1933 - 31/12/1938: Bogaert Ernest
1/1/1947 - 31/12/1958: Roosens Albert
1/1/1947 - 31/12/1964: Vanderschueren Frans
1/1/1959 - 31/12/1964: Van Cauwelaert de Wyels Karel

2.3.3. Raadsleden
1/1/1900 - 31/12/1907: Bogaert Ernest
1/1/1912 - 10/8/1925: Roosens Jules Cesar
1/1/1912 - 31/12/1926: Bogaert Ernest
1/1/1927 - 6/6/1937: Willems Frederic
1/1/1933 - 19/12/1933: Bogaert Ernest
3/7/1945 - 31/12/1946: Bogaert Robert
1/1/1947 - 12/1/1959: Bogaert Jozef

2.4.1. Gemeentesecretarissen
1813 - 1820: Claus Jerôme Claude Henri
5/11/1894 - 21/6/1901: De Beenhouwer Dominicus Eduardus
21/7/1901- 1959: De Beenhouwer Jan Jozef
1/4/1959 * 31/12/1964: Lebacq Felicien

2.4.2. Gemeenteontvangers
18xx - 27/2/1895: De Beenhouwer Dominicus Eduardus
28/2/1895 - 18/1/1919: Beeckmans Mattheus
28/1/1919 - 11/1/1933: Van Vaerenbergh August

2.4.3. Champetters
18xx - 31/8/1870: Braeckmans Petrus Jan
1870 - 26/1/1891: Braeckmans Leopold
21/7/1885 - 192x: Wauters Felix Kamiel

 
2.5.1. Belastingen, taksen
Teveel om allemaal op te noemen; een greep ...
21/8/1873: taks op het verhandelen van goederen op de Denderkaai: 10 centiemen op 100 kg aardappelen, op 100 boonstaken; 30 centiemen per kubieke meter voor bomen; ...
1/1/1881: taks van 10 fr. per jaar op de verkoop in 't klein van sterke dranken.
12/7/1911: taks op ‘openbare speeltuigen', 25 fr. per dag; verhoogd in 1922 tot 50 fr.
 
2.5.3. Gemeentehuis
In 1866 verzocht de gemeenteraad de provincie om van het Sint-Jansgasthuis een perceel grond van 25 aren te mogen kopen, gelegen op de Grote Varing om er een gemeentehuis en een school op te bouwen. Wel zou daardoor Ledeberg zijn toenmalig prestige als gemeentelijk administratief en onderwijscentrum verliezen, maar de gemeenteraad nam, naar eigen zeggen, zijn beslissing toch eensgezind. Blijkbaar hebben de Ledeberggezinde leden van de raad (burgemeester Baveghems, schepen de Ro, raadslid Tondeurs) de kleine dorpspolitiek kunnen overstijgen, omdat het perceel niet alleen centraler lag, maar ook aan de Brusselstraat die na de kanalisatie van de Dender en de nieuwe brug een belangrijke verbindingsweg was geworden. Op 18 april 1866 gaf de Bestendige Deputatie de toestemming. Na de gewone administratieve rompslomp kon de uitvoering beginnen, naar een ontwerp van de Brusselse architect Louis Spaak. (1) Uiteindelijk kwamen gemeentehuis en school klaar in 1870.
 

foto ca 1900

Neoclassicistisch met timpaan en opvallende uitbouw met dubbele ingang. De deur rechts gaf toegang tot de raadzaal met ronde tafel en voldoende stoelen voor de zetelende leden. Erachter, in de aansluitende kamer had de gemeentesecretaris zijn kantoor (2). Hier berustte ook het archief. De buitendeur links leidde naar het ‘schoolhuis’, dat alle overige plaatsen en kamers, van benedenverdieping tot zolder innam. Het was tot 1937 de woning van een ondermeester en twee hoofdonderwijzers. Nadien woonden er tot begin 1977 verschillende ‘huisbewaarders’, al verminderde gaandeweg het aantal kamers dat ze ter beschikking kregen ten voordele van lokalen voor de administratie. (3)
Het gemeentehuis was omringd door de speelpaats, met achteraan de school. Links stond er ook nog een laag gebouw met oorspronkelijk het kolen-, stro- en ashok, rechts ook een gebouwtje met de bakoven, de staanplaats van de brandspuit en het kolenhok voor het secretariaat (later omgevormd tot elektriciteitscabine).

 
2.5.5. In 1919 besliste de gemeenteraad dat er een monument ter nagedachtenis van de gesneuvelde Pamelaars moest komen. Het werd in 1920 opgericht op het dorpsplein, naar een plan van architect Birmant uit Ninove.

 
2.6.3. Gemeentelijk onderwijs
- Onder druk van het Hollandse bewind startte het gemeentebestuur in 1824 uiteindelijk toch met gemeentelijk onderwijs. De eerste gemeenteonderwijzer was Jan-Baptist Lindemans jr. Hij stond er niet alleen voor, maar werd geholpen door twee 'ondermeesters' (4) of 'sous-instituteurs' (in de beginperiode dikwijls nog zonder onderwijzersakte), zodat Jan-Baptist in feite hoofdonderwijzer was. Rond 1842 (5) volgde Gabriël Adam Henricus Loomans (uit Bunde, Nederlands Limburg!) hem op. In 1852 werd Jan-Baptist Van den Eeckhoudt, al ondermeester sinds 1843, aangesteld tot hoofdonderwijzer en hij bleef het tot in 1894. Na sedert 1874 ondermeester te zijn geweest werd Jozef Armand Van der Stappen in 1894 hoofdonderwijzer, tot aan zijn overlijden op 6 mei 1905. Cyriel Van Herreweghen, hulponderwijzer te Pamel sinds 1903, volgde hem op 1 juli als hoofdonderwijzer op (in Pamel-centrum en vanaf 1925 ook van de wijkschool op Ledeberg), en bleef het tot einde schooljaar 1936-1937.
 

foto ca. 1925
v.l.n.r. de 4 onderwijzers in de gemeenteschool te Pamel-centrum
Cyriel Van Herreweghen, Leopold Van Herreweghen, Philippe De Troyer, Zacharie Van Laer

Op 12 februari 1938 benoemde de gemeenteraad Jozef Staels, hoofdonderwijzer te Poelk, tot hoofdonderwijzer van alle Pamelse gemeentelijke vestigingen. Anderhalf jaar later, op 9 augustus 1939, toen er voldoende leerlingen waren, werd hij 'directeur zonder klas'. Laatste schoolhoofd van de gemeente Pamel was Hippolyte Elpers, gemeentelijk onderwijzer te Poelk, aangesteld tot hoofdonderwijzer in mei 1951.

- Door geldgebrek kon de gemeente in 1824 niet onmiddellijk een school bouwen en 'gebruikte' ze dan maar de lokalen van het pensionaat op Ledeberg. Niet zo verwonderlijk want Jan-Baptist Lindemans' vader was eigenaar van dat pensionaat. De gemeente kocht zelfs, o.a. van de familie Lindemans, aanpalende grond en bouwde er in 1825-1826 een nieuwe school op, aanleunend aan het pensionaat (uiteindelijke kostprijs 1475 fr.).
Omwille van het groeiend aantal leerlingen bleek rond 1860 een ruimere gemeenteschool nodig; in de boomgaard van de familie Lindemans? Toch niet, want bijna tien jaar later werd er een gemeentehuis gebouwd meer in het centrum van Pamel, met als 'logisch' gevolg dat ook de nieuwe gemeenteschool meeverhuisde, temeer daar het gemeentehuis toentertijd vaak ook het woonhuis (6) was van de hoofdonderwijzer. Vandaar dat de nieuwe school werd gebouwd, niet meer op Ledeberg, maar aan de Brusselstraat, achter het nieuwe gemeentehuis. Ze kwam klaar in 1870: aan weerszijden een gang, daartussen vier heel ruime klaslokalen, tussen de twee middenste lokalen een gang uitmondend op het 'naaikotje', officieel de 'Werkkamer ingericht voor het onderwijs der naaldwerken'.
Al in 1938 waren er plannen om het stilaan verouderde schoolgebouw uit 1870 in Pamel-centrum te renoveren. Uiteindelijk werd er in 1953-1954, wat verderop aan de Brusselstraat, een volledig nieuwe school opgetrokken, met turnzaal, bureel directeur, ... en met 9 ruime lokalen.

- Naar de eerste gemeenteschool kwamen zowel meisjes als jongens, in 1840 samen meer dan 200. Opmerkelijk, bij voorkeur moesten kinderen aangenomen worden die volgens een koninklijk besluit recht hadden op kosteloos onderwijs. In augustus 1843 waren dat 32 jongens en 28 meisjes; aantallen die in de 2 daarop volgende (honger)jaren fors stegen, tot 66/64 jongens en 48/49 meisjes. De gemeente zorgde eveneens voor hun boeken en schoolbehoeften. Als er volgens de onderwijzer nog plaatsen in de klas open waren mocht hij ook meer gegoede leerlingen aannemen die maandelijks schoolgeld neertelden en ook betaalden voor hun boeken en schoolbehoeften. In 1879 echter stemden de liberalen de 'ongelukswet' die o.a. godsdienstonderricht tijdens de lessen verbood (School zonder God). Jan-Baptist Van den Eeckhoudt had schoon zeggen toen hij op de prijsuitreiking beweerde dat men in de gemeenteschool zou les blijven geven zoals vroeger, de meeste ouders vertrouwden het niet en stuurden hun kinderen naar de pas opgerichte parochieschool op Ledeberg. Het leerlingenaantal in de gemeenteschool zakte zo steil dat, volgens pastoor Van Eyndhoven 'de onderwijzers, vier in getal, ternauwernood elk één kind in de klas hadden' (volgens de verslagen van de gemeenteraad waren er in het totaal 25). In 1883 was het aantal opnieuw wat gestegen, tot 52. Maar in 1884 kwam de katholieke partij aan de macht en kreeg de gemeenteschool opnieuw de toelating om godsdienst te geven bij het begin of op het einde van de lessen. Het aantal leerlingen steeg onmiddellijk sterk tot 232 in februari 1885, 301 in juli 1885. Nadat op 21 augustus 1886 de gemeenteraad, om de kosten te drukken en om de 'vrede' te herstellen, besliste dat vanaf 1 oktober alle Pamelse kinderen naar de gemeenteschool moesten gaan (7), steeg het leerlingenaantal tot 498 in augustus 1887 (254 jongens, 244 meisjes). Toen echter in 1892 op Ledeberg de zusters een school opstartten halveerde al vlug het leerlingenaantal, want 'als vanzelf' werden de meisjes gescheiden van de jongens en werd de gemeenteschool een 'pure' jongensschool. (Eind 1894 waren alle meisjes uit de gemeenteschool 'verdwenen'.) (8) In het schooljaar 1893-1894 waren er ongeveer 200 jongens, maar volgens pastoor Van Eyndhoven telde de gemeenteschool in 1900 toch 268 jongens als leerling (voor drie onderwijzers!). (9)

- Toen de gemeenteschool nog gemengd was leerden jongens en meisjes er gezamenlijk lezen, schrijven en rekenen, kregen natuurlijk ook godsdienstles en moesten zich houden aan het schoolreglement. In 1840 rapporteerde de gemeentesecretaris: 'Les principes de la langue flamande, de la langue française ainsi que le système métrique sont enseignés avec succes.' In 1843 schreef hij in een rapport: '... en heel wat arme kinderen krijgen gratis onderwijs. De gemeenteonderwijzer onderwijst alle kinderen met de grootste toewijding en zonder enige vooringenomenheid. In het algemeen mogen we zeggen dat het onderwijs op peil staat.' Afzonderlijk leerden de meisjes (van 1870 tot 1894), op dinsdag- en vrijdagnamiddag in het naaikotje 'het breiwerk, het naaiwerk, het snijden van de kledingstukken, het steekwerk, het stoppen en het mazen' (10). Merkwaardig was dat tot 1877 alleen de meisjes die regelmatig naar school kwamen en ook al konden lezen en schrijven, de naailessen mochten volgen. Na 1877 kregen alle meisjes naailes en zij die behoeftig waren moesten niet meer betalen voor hun naaigerei, de gemeente voorzag er 2 fr/leerling/jaar voor. Daarbij kregen de meisjes ook beginselen in de gezondheidsleer en huishoudkunde aangeleerd. Intussen volgden de jongens lessen over boomteelt en landbouw of kregen oefeningen op, herhaling van de hoofdvakken. (11)
Op het einde van het schooljaar was er dan de prijsuitreiking. In 1861 had die nog tot doel de leerlingen aan te moedigen de lessen regelmatig te volgen, althans volgens de in het Frans opgestelde notulen van de gemeenteraad: ‘L' instituteur en chef, dans le but d'obtenir la fréquentation régulière de l' Ecole, donne à la fin de l' année scolaire une distribution des prix, dont les frais montent à environ 150 Fr. et dans lesquels la Commune n' entre que pour 20 Fr.' Opmerkelijk was dat de gemeente voor slechts 20 fr tussenbeide kwam. In 1922 gaf de gemeente 400 fr voor het aanleren en opvoeren van een ‘toneelstuk' op de prijsuitreiking.
- Pamel-centrum was de grootste school, met vier graadklassen, dus acht studiejaren. Het waren, zeker tot en met de derde graad, meestal goed bevolkte klassen; zo telde meester Cyriel Van Herreweghen tijdens het schooljaar 1904-1905 in zijn middelklas (2e graad) 68 leerlingen (12). In het schooljaar 2011-2012 volgden in de 4 klassen samen gemiddeld 237 leerlingen de lessen (13). Juffrouw Elsa Van Saene had in haar 1e en 2e leerjaar samen, tot 1954 telkens meer dan 40 leerlingen.
- In afwachting van een nieuwe school te Poelk huurde de gemeente op Ledeberg vanaf 1 oktober 1918 in het vroegere meisjespensionaat twee klaslokalen voor leerlingen van Poelk en de Belle Alliance (!), tot eind 1924 toen de nieuwe school te Poelk, langs de Ninoofsesteeenweg, klaarkwam; waarin drie klassen voor drie onderwijzers met elk twee leerjaren. Structureel was deze ‘school van Poelk' een zelfstandige gemeenteschool (tot 1937), met een eigen hoofdonderwijzer, Jozef Staels, die al op 21 juni 1918 werd aangesteld (14).
Omdat de zusters van Ledeberg te Poelk geen wijkschool wilden oprichten, stuurden in 1932 verschillende ouders hun meisjes (een dertigtal) naar de gemeentelijke wijkschool te Poelk, die dus toen gemengd werd. Datzelfde jaar werd er in die gemeenteschool een 'noodlokaal' ingericht als 'bewaarklas', maar die werd dan wel gerund door de zusters, tot in 1961 toen de gemeente de kleuterklas overnam.
- Ook na 1924 bleef de gemeente de lokalen op Ledeberg huren, twee klassen nu als tweede vestigingsplaats van Pamel-centrum en … voor de leerlingen van Ledeberg. Er stonden twee onderwijzers voor vier leerjaren, met alleen jongens. De derde en vierde graad volgden de leerlingen dan in Pamel-centrum, maar in 1940 kwam er ook een derde graad.
- In 1937 nam de gemeenteraad de oppensioenstelling van hoofdonderwijzer Cyriel Van Herreweghen te baat om alle vestigingen te laten samensmelten tot één gemeenteschool.
- In 1954 werd de wijkschool van Ledeberg overgeheveld naar Pamel-centrum, later kwam ook de wijkschool van Poelk over. Stilaan behoorden de graadklassen tot het verleden.
- Opdat de leerlingen uit de verschillende gehuchten in Pamel-centrum zouden geraken besliste de gemeenteraad in 1960, een bus in te leggen.

2.6.8. Op zondag 10 september 1905 werd de 75e verjaardag van 's lands onafhankelijkheid gevierd, opgeluisterd door de ‘muziekmaatschappijen'. Grootser was de viering in 1930 van 100 jaar België; van 21 september tot 19 oktober, gespreid over de gehuchten.

 
2.6.9. Brandweer
Op 22 september 1823 keurde de gemeenteraad een reglement goed 'ter voorkoming van brand en van het blussen van brand'. Drie jaar later, op 26 oktober 1826 stelde de raad vast dat ‘deze gemeynte geene brandspruyten bezit en zich in staet niet en bevind om zich eene brandspruyt aen te schaffen bij gebrek aen geldmiddelen' en besloot dat het bijgevolg niet nodig was ‘opperbrandmeesters, brandmeesters, onderbrandmeesters, helpers' aan te stellen. Wel benoemde de raad Petrus Stockmans ‘ten eynde om ingeval van brand het opzigt te neemen over de hulpiddelen die er zullen aenwezig zijn'.
Later heeft de gemeente toch een brandspuit (+ pomp) aangekocht. Zo was in 1900 J. Waegemans 'bestuurder' van de gemeentelijke brandspuit, in 1912 was dat Camiel Muylaert en in 1924 Gustave De Boitselier.
Midden de jaren (19)30 echter oordeelde de gemeenteraad, daar ‘de gemeente over geen brandweercorps met het geschikte materieel beschikt', dat het voordeliger was een overeenkomst af te sluiten met Meerbeke, dat ‘met een goeie steenweg was verbonden' en kwam het Meerbeeks pompiercorps in Pamel blussen. In 1955 werd een contract getekend met Ninove en werden de Ninovieters de blussers.
 

wordt aangevuld


------------------------------------------------------------------------
(1) Volgens plannen van 1 januari 1866! Ook de vroegere gemeentehuizen van o.a. Borchtlombeek, Strijtem en O.-L.-V.-Lombeek zijn gebouwd naar zijn ontwerpen.
(2) En niet meer in eigen huis, zoals voordien.
(3) Achteraan rechts hebben er na 1937 ook nog enkele gezinnen gewoond, tot 1954. Stonden zij in voor het onderhoud van de school?
(4) Andere 'ondermeesters' of hulponderwijzers waren Jan-Baptist Van der Stappen (1846-1885), Jan-Baptist Vanderplas (1866-1903), Basiel Billiet (1897-1903).
(5) Of volgde hij J.B. Lindemans (veel) vroeger op?
(6) Jan-Babtist Van den Eeckhoudt bleef echter op Ledeberg wonen, intussen woonde er in het schoolhuis een ondermeester. De hoofdonderwijzers Jozef Armand Van der Stappen en Cyriel Van Herreweghen hebben er wel gewoond. Zij hadden achter het schoolgebouw nog een ruime tuin, met 'vleeskersen en tien tot twintig soorten peren'.
Ook aan de school te Poelk was een schoolhuis (Ninoofsesteenweg nr 42) verbonden, waarin Jozef Staels en Hippoliet Elpers hebben gewoond.
(7) Waardoor de betoelaging van de aangenomen parochieschool wegviel.
(8) Daarmee was er, meer dan 90 jaar lang, geen concurrentie meer tussen beide scholen. In 1948 ging er voor het personeel van de gemeentescholen zelfs een 'opvoedkundige' vergadering door in de zustersschool!
(9) Het lager onderwijs was toen niet verplicht en er waren veel afwezigen: in de 'winter' ongeveer 25 %, in de 'zomer' tot 60 %. Vandaar dat de klassen feitelijk kleiner waren..
(10) Volgens de notulen van gemeenteraad van 3 augustus 1871 e.v.
(11) Van 1900 tot 1913 werd ook aan volwassenen les gegeven.
(12) Aan de 'kleine kant' (3e leerjaar) zaten 43 leerlingen, aan de 'grote kant' (4e leerjaar) 25 leerlingen.
(13) In de 'winter' 265 leerlingen, in de 'zomer' 210 leerlingen.
(14) Het was (gedeeltelijk) een politieke aanstelling: De 'Meuttes' wilden dat iemand van hen hoofdonderwijzer werd want de hoofdonderwijzer in Pamel-centrum was 'nen doemper'.


la