boomstructuur: startpagina >
AZ-index > artikelindex D > artikel


De Pauselijke Zoeaaf

Windmolen te Pamel
 

 

'Item liven wade heeft ghenomen de moele te pamele tenen termine van VI jaren lanc duerende …' (uit de pachtovereenkomst tussen Lieven Wade en de heer van Pamel, opgetekend in 1391) (1)

 

 
Of het een windmolen was en of die reeds op het molenveld stond werd niet vermeld, maar mag toch met een grote waarschijnlijkheid verondersteld worden. Ook omdat in het abdijarchief de molen er in 1469 wel expliciet wordt gesitueerd: 'op de breecoutere onder de muelen te pamele ende de wech daer neven an de broucke beken'.
 
Molenaar Lieven Wade werd in 1398 opgevolgd door een zekere N. de Boghemakere. Voor het 'molenrecht' moest deze aan 'claus vijte here van pamele' 9 mud (= ongeveer een hectoliter) rogge leveren. Tussen ca. 1400 en 1559 is alleen Bartholomeus Meert als molenaar te Pamel gekend. Rond 1560 was het Lieven Vanden Bucke 'die in pachte houdende es mijns heeren wintmuelen ...' Een windmolen dus! In 1561 moest Lieven geen pacht betalen omdat de herstellingen meer hadden gekost dan de pachtprijs. Opnieuw volgt er dan een periode zonder gekende molenaars, tot ca. 1655 de Pamelse broers Peeter en Jasper Straetman(s) de molenpacht opnamen. Rond 1680 werd Joos Van der Donck molenaar en bleef het tot 1691, het jaar van zijn dood. In zijn pacht zaten: de molen, 'een behuysde stede genaempt den maelder' en 5 dagwand land. De verhuurder was graaf de Coupigny, heer van Pamel.
 
In de periode 1680-1685 werd het molenaarshuis gesloopt, waarschijnlijk na verwoesting door Franse legerbenden. Wellicht werd toen ook de molen vernield. Beiden werden dan weer opgericht en daarbij ook verplaatst, maar zo dat de molenaar toch nog vanuit het molenaarshuis de molen (2) in de gaten kon houden.
 
 
Fragment uit de kaart (1711) van J.J. de Deken: De weg voor het molenaarshuis werd later gedeeltelijk de Gasthuisstraat; het (nu verdwenen) wegje tussen molen en molenaarshuis liep naar de Molenstraat, d.i. de bredere met bomen afgezoomde weg. Het gesloopte molenaarshuis stond aan de overkant van dat wegje (zelfde kant als de molen), de verwoeste molen dichter bij de weg vooraan (op de plaats waar hij laatst stond).
 
Zoon en naamgenoot Joos Van der Donck volgde in 1691 zijn vader op, maar overleed 10 jaar later. Zijn weduwe Anna Appelmans hertrouwde in 1702 met Petrus de Coster die de molen verder deed draaien tot 1718. Toen nam Michael Cieters uit de streek van Appelterre de pacht over. Hij maalde te Pamel tot 1733. Dan kwam Francies Van Lierde, uit Pepingen en telg uit de belangrijkste muldersfamilie in onze streken. Hij bleef molenaar te Pamel tot aan zijn dood in 1741 (3). Datzelfde jaar hertrouwde zijn weduwe, Maria Mattens met een familielid, Geeraert Van Lierde uit Appelterre. Maar Maria overleed twee jaar later en al vlug hertrouwde Geeraert met de Pamelse Elisabeth Baveghems. Molenaar Geeraert overleed in 1754 en ook Elisabeth hertrouwde, met Pieter Jan de Kerpel.
 
De molen draaide goed want zij kochten nog een paar stukken land en in 1779 werd het molenaarshuis heropgebouwd. Het bouwjaar stond te lezen in de ankers aan de voorzijde.
 
Rond 1784 nam Jan Jozef Van Lierde, zoon uit het eerste huwelijk van Elisabeth, de pacht over. Hij trouwde met Josine Covens uit het hof te Berchem. Op 5 november 1785 ondertekende hij een nieuwe pachtovereenkomst voor een termijn van 99 jaar, met de eigenaar Henri Othon, prins van Ongnies en heer van o.a. Pamel.
 
Maar ook de molen was aan vervanging toe. Vandaar dat er werd overeengekomen dat de molenaar binnen de drie jaar op eigen kosten een nieuwe 'graanwintmolen ' moest oprichten. Uit de Pamelse bossen van de heer mocht hij daartoe twee grote eiken halen en twee minder grote. De nieuwe molen moest op zijn minst zoveel waard zijn als de oude.
Een jaar later dan voorzien, in 1789 was de molen bedrijfsklaar. (Dat jaartal stond in de twee uiterste hoeken van de voorzijde, vlak onder de kap.) (4) Daarbij werd de molen verplaatst en stond nu in het verlengde van het molenaarshuis, met als gevolg dat de molenaar hem vanuit de woonkamer niet kon zien.
 
Jan Jozef Van Lierde overleed in 1811. De oudste zonen lieten de molen verder draaien, maar de kinderen zwermden het huis uit. In 1829 zat zoon Jan, toen een jonkman van veertig, alleen op de molen. Maar al 4 jaar was de pacht niet meer betaald; na een dagvaarding werd de schuld dan toch vereffend. Jan Van Lierde kon op de molen blijven, mogelijk tot 1842. (5) Feit is dat de volgende molenaarsfamilie nog steeds een plankje bezit dat op de molen gebruikt werd om het meel tegen te houden, en in dat plankje staat 'van nuffel 1842'. (6) Waarschijnlijk het jaar waarin Jan Frans Van Nuffel, molenaar te Meerbeke de pacht te Pamel overnam. In 1850 werd ook zoon Pieter als molenaar vermeld; hij stierf in 1866. Een jaar later overleed ook Jan Frans in het molenaarshuis. Begin 1866 was de andere zoon-molenaar, die ook Jan Frans heette naar Italië vertrokken om er als pauselijke zoeaaf te dienen, maar hij keerde na de dood van zijn broer terug om weer molenaar te worden op de (later zo genoemde) 'molen van de Pauselijke Zoeaaf'. (7)
 
Op zondag 12 maart 1876 stormde het hevig. De molen schudde en kraakte maar bleef toch overeind. 'Molenmakers' kwamen, maar zagen geen gevolgen en de molen kon verder draaien. Negen dagen later echter viel de as met de wieken naar beneden.
 
Na de dood van Jan Frans Van Nuffel in 1892 maalden zijn zonen Gustaaf en Rufin verder, maar in feite werd Rufin de molenaar. Hij kocht, nadat gedurende eeuwen de molenaars molenrecht/pacht betaalden aan de heren van Pamel, in 1903 de molen en het molenaarshuis.
 
Op 14 februari 1904 sloeg de bliksem in op de molen. Op de uiteinden van de wieken was een grote vlam te zien die langs de roeden liep als ze rezen en wegebte bij het dalen; zo bleef de molen tien minuten draaien.
De molen werd in de loop der jaren technisch aangepast. Zoon Henri vertelde: 'Er werden twee regulateurs geplaatst, zodat de drie molenstenen zichzelf konden regelen. Een tarwereiniger en builmolen gaf dan zuivere bloem en zemelen. Toen ik nog klein was bestond de verlichting uit een klein olielampje, daarna werd het karbuurlicht, vervolgens de petroleumlantaarn, dan de fietsdynamo, die met een regulateur op snelheid werd gehouden.'
 

Onderaan stond molenaar Rufin Van Nuffel. Achter hem het houten juk dat hij op de schouder nam om de molen om zijn verticale spil in de wind te kruien. Later werd dit juk vervangen door een windas. De Van Nuffels hadden zelfs een systeem met windas en katrollen uitgewerkt zodat het mogelijk was, met de hulp van de wind de molen van bovenaan te kruien. Ook valt op dat de houten molenroeden uit twee stukken bestonden.
 
Op het molenaarshuis stond een 'windvaan'. Langs een ijzeren draad was zij verbonden met een wijzerplaat die in de kamer van de molenaar hing. Twee beweegbare naalden duidden de snelheid en de richting van de wind aan. Wanneer de wind sterk genoeg was om met volle zeilen te kunnen malen begon de bel in de kamer te pingelen, het signaal om op te staan en de molen te laten draaien.
's Zondags draaide de molen niet, tenzij uit noodzaak. Als dit toch eens gebeurde werd hij tijdens de hoogmis stilgelegd. Ook als de priester langs kwam voor een 'berechting' werd even gestopt met malen.
Bij grote plechtigheden, processies en aanstelling van een nieuwe pastoor wapperden de vlaggen in de molen en waren de wieken mooi versierd.
In 1920 werd de bevrijding herdacht en toen stond er op de bevlagde molen:
 
'Ja, molen draai snel en blij,
de Duitser is weg en elk is blij!'
 
In 1931 werd in de schuur van het molenaarshuis een molen geïnstalleerd die werkte op mazout. Bij minder wind voor de windmolen kon er zo toch gemalen worden. In 1942 werd bij gebrek aan mazout, overgeschakeld op elektriciteit.
 
Geholpen door zijn zonen bleef Rufin Van Nuffel de plak zwaaien op de molen tot hij in 1942 overleed. Hij werd opgevolgd door zoon Albert, maar toen deze in 1943 stierf werd broer René de (laatste) molenaar.
 
Tijdens wereldoorlog II werd de molen maar weinig beschadigd; wel werden in het houtwerk wat splinters gevonden van afgeschoten granaten.
De windmolen werkte tot 1955 en met de motormolen werd gemalen tot 1965.
Nog in 1955 werd de hoogste wiek getroffen door de bliksem, die langs een antennedraad, gespannen tussen molen en molenaarshuis, ook daar teller en leidingen verbrandde.

Stilaan geraakte de molen in verval. Vanuit de gemeente kwamen er geen initiatieven om de molen te (helpen) restaureren. Volgens René wou de tuinbouwschool dan de molen laten klasseren, ook omdat zo de omliggende gronden landbouwgronden zouden worden en aldus goedkoper te verwerven. Intussen begon hij de molen geleidelijk aan te ontmantelen. Het hout werd o.a. gebruikt (8) in de nieuwe woning die hij begin de jaren (19)60 naast het molenaarshuis liet bouwen. In 1964 werden de molenstenen verwijderd en gesleept tot in de nabijheid van de nieuwe woonst. Op 1 april 1972 werd de molen, omwille van veiligheid op bevel van het gemeentebestuur neergehaald (viel om precies 10u47) (9) (10).
 

 

Geleidelijk aan werd daarna ook de molenberm afgegraven. Het oude molenaarshuis bleef zieltogend achter tot het op 29 september 1987 ook werd afgebroken.

 

In de jaren (19)70 werd het nog als volgt beschreven:
'Verlaten éénlaags molenaarshuis van zeven traveeën onder zadeldak (pannen) met uitgewerkte houten modillons, door gevelankers gedateerd 1779; steekboogvormige vensters en deur, sommige in omlijstingen van sterk verweerde plaatselijke zandsteen met zware negblokken en andere in omlijstingen van gesinterde steen; behouden luiken met oorspronkelijke hengsels; sommige omlijstingen o.m. van de deur werden weggebroken. Binnenin, zolderingen van kinder- en moerbalken met afgeschuinde kanten. Rechterzijgevel met rondboognis en kruis van sintersteentjes en linkerzijgevel met vlechtingen.
Aanpalend dienstgebouwtje uit XIX.' (11)

 


Zo verdwenen allengs molen, molenaarshuis, zelfs molenberm uit het straatbeeld en konden de gronden worden verdeeld onder de kinderen, percelen die intussen werden vol gebouwd.

 



-------------------------------------------------------------------
(1) Werd de molen toen opgericht of draaide hij al vroeger?
(2) Nog in de 20e eeuw duidde een kring in de akker achter het molenaarshuis waar de vruchten minder groeiden, de plaats aan waar die molen ooit stond.
(3) Op 17 mei 1738 moest Francies Van Lierde voor de schepenbank verschijnen omdat hij het loon van ‘muijldersknecht' Jozef De Neef niet had betaald. Francies beloofde aan de schepenen de knecht te betalen. Typerend voor de molenaar of een eenmalig voorval?
(4) Het was een houten standaardmolen die vooral uit eikenhout gemaakt was, onderaan was olm verwerkt en de spillen van de wielen waren vervaardigd uit acaciahout.
(5) Vorige geschiedkundige gegevens werden vooral geput uit een artikel van G. Van Herreweghen: ‘De windmolen van Pamel' in DF-Klokje, 8e jg, 1976, nrs 3,4. Aldaar pp. 33-41.
(6) Ook in een snuifdoos van Jan Frans Van Nuffel stond ‘PAMEL-1842'.
Maar andere bronnen beweren dat Jan Frans pas ca. 1850 in Pamel landde.
(7) Het was zoon Hendrik, pastoor te Ternat die pas in 1931, in een artikel in ‘Eigen Schoon en de Brabander' de naam voor het eerst gaf aan de molen.
(8) Ook 17 balken voor het nieuwe altaar in de kerk van Pamel.
(9) In de gemeenteraad werd beweerd dat de karkas overhelde en een reëel gevaar betekende voor de voetgangers en alle vorm van verkeer.
(10) De wiekenas zou te Brugge nabij de Sint-Janshuusmolen liggen/hebben gelegen.
(11) In 'Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen' 2n Vlaams Brabant Halle Vilvoorde, 2e druk 1977, 827 p. Aldaar p. 537.