boomstructuur: startpagina >
AZ-index > artikelindex S > artikel


Sint-Apollonia

Parochie Ledeberg

Ledeberg behoorde vele eeuwen tot de parochie Pamel (1); in 1958 kwam daar verandering in en in 1963 werd de parochie Sint-Apollonia officieel opgericht.
Vandaar de opdeling in twee grote perioden: voor en na 1958/1963.


1. - 1958/1963

1.1.1. In 1196 was Sint-Amandus de patroonheilige van de kapel; in 1573 werd, naar het dekanaal verslag, O.-L.-Vrouw als patrones vereerd, ook nog in 1899 volgens pastoor Van Eyndhoven. Maar al voor 1608 werd ook Sint-Apollonia er aanbeden en in het begin van de 20e eeuw werd ze op Ledeberg zo populair (tegen tandpijn) dat ze O.-L.-Vrouw als patroonheilige verdrong.

1.2.1. De oorsprong van de kapel(anie) is de slotkapel van de burcht van de heren van Ledeberg (tweede helft 11e eeuw, begin 12e eeuw) (2) In de 11e eeuw was het normaal dat de plaatselijke heer de goederen van de kerk beheerde en de bedienaar aanstelde. Maar langer dan in andere parochies hebben de heren van Ledeberg het statuut van ‘Eigenkerk’ kunnen behouden. (3) Daar kwam in 1179 verandering in toen de bisschop van Kamerijk ‘de altare de Pamela cum appendicio suo Ledeberga’ (4) en de eraan verbonden tienden en cijnzen schonk aan de abdij van Ninove, en toen in 1182 Wouter van Ledeberg werd verplicht de voorrechten van ‘zijn Eigenkerk’ af te staan. Toch schemerden die voorrechten onder Willem I nog door in enkele toegevingen die hij ca. 1200 kon bedingen: o.a. het recht op Ledeberg de kapelaan voor te dragen, het aan de kapelaan en aan de koster toekennen van een aandeel in de tienden, zelfs het zeggenschap in de zang in de kapel (!). Maar toen Willem I in 1226 de door hem op Ledeberg gestichte kapelanie (5) naar het Sint-Jansgasthuis te Brussel wou overhevelen waren de ‘parrochiani de Ledeberga’ en ook zijn zonen ertegen. De parochianen vreesden dat ze de kapelaan zouden verliezen en dat ze gedwongen zouden worden in Pamel naar de mis te gaan. Toch ging de overdracht door omdat er op Ledeberg te weinig mensen woonden om er een kapelaan voor aan te stellen. Maar volgens een oorkonde uit 1227 werd door schenkingen van Willem I en zoon Egidius de dotatie van kapelaan en koster toch veilig gesteld, wat ook inhield dat het voortbestaan van de kapel van Ledeberg werd gevrijwaard, waardoor uiteraard ook de onrust van de Ledebergenaren werd gepaaid. Hieruit blijkt ook het openbaar karakter van de kapel t.o.v. de private borchtkapel. De kapel is aldoor een bedehuis geweest voor de gemeenschap, die zich steeds ‘parrochiani’ noemden. Belangrijk is het jaar 1247 voor Ledeberg. Alsdan droeg Bernard van Ledeberg/Pamel de kapelanie van Ledeberg over aan de abdij van Ninove, die van dan uit eigen midden de kapelaan mocht aanstellen die kon beschikken over de inkomsten van de kapelanie. Feit is dat er ook dan tegenkanting was, o.a. van Egidius, maar uiteindelijk werd de overdracht bekrachtigd door de bisschop van Kamerijk. Door die incorporatie fungeerden op Ledeberg, zij het niet altijd doorlopend, norbertijnen (officieel) tot in de 18e eeuw als onderpastoor/kapelaan! Tot zolang behield de heer/vrouwe wel het begevingsrecht van de kosterie op Ledeberg.

1.2.2. De moeizame strijd om erkenning/zelfstandigheid.
1.2.2.1. om erkenning van 1807 tot 1825
Op 1 september 1796 ontbonden de Franse revolutionairen o.a. de orde van de norbertijnen en van de minderboreders recolletten. En priesters die nadien weigerden de 'eed van haat' te zweren moesten onderduiken. In die 'beloken tijd' werd de kapel gedurende verschillende jaren gesloten. Pas na de ondertekening op 15 augustus 1801 van het Concordaat konden teruggekeerde voormalige paters recolletten er officieel weer de mis opdragen. Daarbij hoopte men op erkenning van de kapel, zodat ze recht had op staatssteun. Op 30 september 1807 ondertekende Napoleon een decreet, waarbij een lijst van erkende gebedshuizen. De kapel van Ledeberg stond er niet op. Daarop werden, om toch erkend te worden, brieven geschreven naar het bisdom o.a. in 1808, 1815, 1819, naar de prefect van het Dijle-departement o.a. in 1808, 1812, werden er petities gehouden in 1809 (100 ondertekenaars) en in 1815 (74 ondertekenaars). Terwijl men ook contact onderhield met (de vertegenwoordiger van) de eigenaar de Merode-d'Ongnies.
Hoofdargument was dat de parochiekerk aan de Dender te veraf lag en in de winter onbereikbaar was, zeker voor ouderen en kinderen. Daarbij engageerden de Ledebergenaars zich bij te dragen in de wedde van de kapelaan, zijn huisvesting en in het onderhoud van de kapel.
Opvallend was, naast de inzet van de Ledebergenaars en hun kapelaans, de actieve rol van de Ledeberg gezinde burgemeesters (6) en hun gemeenteraden. In verschillende brieven drongen zij aan op de erkenning, maar evenzeer besliste de gemeente in 1809 al aan de kapelaan een jaarwedde van 500 fr te betalen. Het nodige geld zou gerecupereerd worden bij alle Pamelaars pro rata de andere belastingen die ze al betaalden. Niet verwonderlijk dat ze beneden Pamel morden omdat ze moesten meebetalen voor de kapelaan op Ledeberg. Ook besliste de gemeente de herstellingskosten aan kapel en kluis voor haar rekening te nemen.
Opmerkelijk was ook de brief van de burgemeester in 1815 aan het bisdom, waarin hij meldde dat de pastoor van Pamel achter de schermen poogde de nieuwe kapelaan naar de pastorie van Pamel te lokken! Maar ook de dreiging van de Ledebergenaars om de zondagse hoogmis in de kerk aan de Dender te boycotten: ‘En we komen van onze berg niet af!’
Uiteindelijk volgde op 28 september 1825 dan toch de officiële erkenning.
In de gemeentebegroting van 1826 stond 236 gulden 25 cents ingeschreven ‘voor de jaerwedde van den bedienaer van den Godsdienst der  Kapelle deezer gemeynte die tot heden door vrijwillige (?) giften is onderhouden’.  (7) Ook werd er ieder jaar 20 à 60 gulden voorzien voor het onderhoud ‘van de kapelanie van Ledebergh, aengezien de zelve geene andere inkomsten en heeft als het schaelgeld’.

1.2.2.2. om zelfstandigheid vanaf eind 19e eeuw tot 1963
Het statuut van appendicium, van een ondergeschikte/afhankelijke positie t.o.v. de ‘ecclesia matrix de Pamella’ was er al ten tijde van Willem I, die trouwens bedong dat hij en zijn vrouw zouden worden begraven in de kerk van Pamel.
Gevolg van die afhankelijkheid was dat de Ledebergenaars voor doopsels, huwelijken en begrafenissen naar de kerk van Pamel moesten en dat het de pastoor was die de inkomsten ervan opstreek. Deze heeft dit voorrecht tot in de 20e eeuw absoluut willen behouden. Gevolg was ook dat er op Ledeberg gedurende vele eeuwen slechts incidenteel plechtige missen werden opgedragen, maar overwegend gelezen missen, Gevolg was eveneens de ondergeschikte positie van de kapelaan t.o.v. de pastoor van Pamel.
Sinds eind 19e eeuw hebben verschillende kapelaans getracht dit voorrecht te doorbreken en aan de parochie meer zelfstandigheid te geven en kwamen zo in conflict met de pastoors van Pamel. Samen met de kapelaans ijverden ook verschillende Ledebergse families voor zelfstandigheid (8), met een chauvenisme dat nog lang na de zelfstandigheid in die families bleef nazinderen.
* Als kapelaan streefde H. Van Eyndhoven  naar een zelfstandiger parochie Ledeberg, doch eens pastoor van Pamel verguisde hij deze gedachte. Wanneer hij dacht/zag dat ze onder zijn opvolgers, de kapelaans Haeck en Bervoets, weer oplaaide deinsde hij er niet voor terug bij het bisdom aan te dringen op hun overplaatsing.
* Kapelaan Tielemans slaagde erin sommige luisterlijke vieringen ook op Ledeberg te laten doorgaan: o.a. de Sint-Barbaramis van de Ledebergse mijnwerkers, een gezongen vroegmis, de lange vespers, de palmviering, de paasmis. Om de oprichting van een zelfstandige parochie te wettigen zocht hij naar bewijzen uit haar vroeger bestaan; hing hij in de kapel een kaart waaruit moest blijken dat, qua oppervlakte, Ledeberg niet moest onderdoen voor Pamel; liet hij een lijst drukken met alle Ledebergse godsdienstige en sociale verenigingen (20 in het totaal! Echter de meesten waren evengoed Pamelse verenigingen). En … op de aannemingsbrieven van de plaatselijke Broederschap der H. Mis van Eerherstel liet hij met opzet ‘kerk’ van Ledeberg drukken in plaats van ‘kapel’.
* Kapelaan Gullentops heeft op zijn minst geprobeerd zijn parochianen in hun verzet te steunen, o.a. na de H.-Hartfeesten en toen zijn kerkzangers niet meer werden toegelaten op het oksaal. Waar mogelijk werd hij (en Ledeberg) door pastoor Janssens genegeerd of tegengewerkt.
* In tegenstelling tot zijn voorgangers heeft kapelaan Vanderborght, gebruik makend van zijn connecties in het bisdom, de zelfstandigheid van de parochie in stilte voorbereid.


1.3.1. Bedienaars/onderpastoors/kapelaans
ca. 1200 had de kapel een eigen bedienaar (naam niet gekend) die een deel van de tienden kreeg en aangesteld was door Willem I.
De oudst gekende bedienaar was ‘Willelmus, sacerdos de Ledeberga’ die in 1220 optrad als getuige in een omwisseling van gronden. Hij was zeker geen norbertijn.
Volgens het archief van het Sint-Jansgasthuis woonde er in 1226 een norbertijn van de Ninoofse abdij op Ledeberg  en bediende de kapel.

1428 – 1431: de Keghele Zeghere
1431 – 1436: van Idegem Adriaen
1437 – 1438: van Lancmeersch Cornelius
1446 – 1449: de Houwere Johannes
1449 – 1450: de Vleeschouwere Martinus
1450 – 1453: de Keghele Zeghere
1453 – 1455: van Putthem Lieven
1456 – 1457: van Bijgaerden Johannes
1457 – 1463: van Putthem Lieven
1463 – 1477: van der Borch Willem

Vermoed wordt dat in deze eeuw(en) de onderpastoors/kapelaans, allen norbertijnen, in de pastorij van de kerk van Pamel woonden.

1539 - 1544: Gillis Peter
1548 - 1550: de Vleeschouwere Claus
1555: van den Damme Johannes
1559 - 1561: Symoens Machiel
1572: Zaegerman Adriaen
Het laatste kwartaal van de 16e eeuw was beroerd. De kapel werd toen niet bediend.

1615 - 1640: pater Caesens
Ondanks de komst in 1640 van de  minderbroeders recolletten bleven norbertijnen van de Ninoofse abdij, wonend in de Pamelse pastorie aan de Dender, als onderpastoor/kapelaan in de kapel de mis opdragen. Op momenten/in periodes dat zij er niet waren werden zij door de recolletten vervangen, al of niet in afspraak met de abdij, geleidelijk meer en meer.
1640 - 1642: Maximiliaan Van Damme
1666 - 1668: Philip de Champaigne
29/2/1668 - okt. 1677: De Nayer Lambertus
okt 1677 - : Boelens Aurelius
1686: de Haeye Johannes

1801 - 24 juli 1815: Helsen Franciscus, eerst pater recollet werd hij na 1801 seculier priester en was van dan onderhorig aan het (aarts)bisdom Mechelen, zo ook zijn opvolgers.
1816 - 1821: Van Laethem Jan-Baptist
1822 - 24/6/1828: Austreus Petrus
1828 - 24/6/1829: Elinckx Zacharias
5/7/1829 - 4/1/1844: De Rijcke Jan-Baptist
4/1/1844 - 24/9/1859: Van den Bossche Joseph
30/9/1859 - 10/10/1873: De Dobbeleer Felix
30/4/1874 - 19/1/1877: Graulus Ludovicus Matheas
jan. 1877 - 21/12/1880: Sannen Joannes Emmanuel
jan. 1881 - 20/6/1890: Van Eyndhoven Henricus
juni 1890 - sept. 1897: Lamal Emile Frans
1898/1900 - 16/9/1913: Haeck Jacobus
dec. 1913 - maart 1918: Bervoets Louis
maart 1918 - nov. 1926: De Roeck Frans
dec. 1926 - maart 1929: Tielemans Isidoor
1929 - 9/5/1938: Gullentops Jan Frans
10/5/1938 - 2/12/1942: De Vos Emiel
12/12/1942 - 1957: Vanderborght Frans

1.3.2. Kosters
In 1200 was er blijkbaar al een koster. Hij kreeg er jaarlijks drie mud rogge, een mud haver en een mud gerst voor. In 1227 begunstigde Willem I de koster met verschillende dagwanden weiland en veld en kreeg de koster ook nog een mud koren en een mud haver van het Sint-Janshospitaal.
In 1391 was er sprake van ‘twe costerien welcke costerie van Leebergh goede lieden van wapenen pleghe te hebben’. Het kosterambt werd door de heer/vrouwe dus toegekend aan lieden van stand die een wapenschild voerden, vaak aanverwanten, getrouwen. Daarom oefenden ze de functie van koster niet persoonlijk uit; ze konden immers een plaatsvervanger aanduiden en betalen. Maar ze behielden alle voordelen die eruit voortvloeiden. Nog in de 17e eeuw bedacht de vrouwe van Pamel, Anna de Croy haar petekind, Filips de Regnaucourt met de kosterie van Ledeberg. (9)

Na de erkenning van de kapel werd op 12 maart 1829 Petrus Antonius Lindemans, op vraag van kapelaan Elinckx door de gemeente benoemd, die hem ook zou betalen, maar het is onzeker of hij zijn kosterschap heeft uitgeoefend. Indien wel dan was dat tot 1840, toen hij verhuisde naar Opwijk. Hoewel dat kosterschap een kerkelijke aangelegenheid was, sprong  de gemeente ook nadien bij. Zo kreeg de koster in 1843 voor zijn ‘gewoonlijken trok van de gemeente’ 43 fr. In 1856 was zijn wedde opgelopen tot 100 fr. Wie die koster was is (voorlopig) niet geweten.
18xx - 1870: Braeckmans Leopold
1870 - 1877: De Beenhouwer Jan Victor
1877 - 1901: De Beenhouwer Felix
1901 -1946: Vandeperre Joannes
1946 -1988: Vandeperre Jef

1.4.1. Liturgische vieringen
In de 17e en 18e eeuw waren er twee gelezen missen in de week en was er op zondag een gelezen mis om 9 uur. Slechts sporadisch ging het er wat plechtiger aan toe, op 24 mei, het feest van Onze-Lieve-Vrouw, toen de patroonheilige, en op 9 februari, feest van Sint-Apollonia. Er zong trouwens een koor, zeker tussen ca. 1710 en 1750, toen onder leiding van kostschooldirecteur Pieter Aernout Lindemans.
In de Franse tijd mochten er in de kapel na 1 september 1796 tot aan de ondertekening van het Concordaat op 18 augustus 1801, geen liturgische vieringen doorgaan. Denkelijk hebben de recolletten in die beloken tijd in het verborgene, bij Ledebergenaars thuis of in de streek, de mis opgedragen, kinderen gedoopt en de biecht gehoord.
Begin 1829 kreeg de kapelaan van het aartsbisdom de toelating om op Ledeberg ook solemnele, plechtige missen op te dragen.
Rond 1927 was er in de week een gezongen mis om 6.30 u. in de zomer en om 7 u. in de winter. Op zondag echter waren er weer alleen gelezen missen om 6.30 u. en om 10 u.; op feestdagen waren er wel gezongen missen, om 6.30 u. en om 9 u. Op zondag was er ook het lof, op feestdagen gevolgd door de (lange) vespers. Maar doopsels, huwelijken en uitvaarten mochten nog steeds niet op Ledeberg en bleven in Pamel.

1.4.2. Vereringen
* Sint-Anna en Sint-Niklaas
In 1608 verkregen Nicolaas de Montmorency en zijn echtgenote Anna de Croy, vrouwe van Pamel-Ledeberg, van paus Paulus V dat alle gelovigen die in de kapel van Ledeberg op het feest van hun naamheiligen, Sint-Nicolaas en Sint-Anna, onder de gewone voorwaarden (10) kwamen bidden, een volle aflaat verdienden. Wat toen bijdroeg tot heropleving van de kapel.

* Sint-Apollonia
Uit een notitieboek van de paters recolletten van 1662, blijkt dat toen al op de feestdag van de heilige Apollonia en op de 3e zondag na Sinksen haar relikwie werd vereerd. In zijn handschrift van 1685 bevestigde pater recollet Carolus van Coudenhove:
- het bestaan van een relikwie (11) van de H. Apollonia: wie ten offeren kwam bood brood aan omdat geld niet toegelaten was;
- dat er op 9 februari veel volk naar de kapel kwam, ook uit verder gelegen dorpen.
Op 7 december 1892 gaf kardinaal Goossens de toelating op Ledeberg het Broederschap der H. Apollonia op te richten. De leden, die aldra talrijk waren, konden een volle aflaat verdienen en bij overlijden werd er voor hen een mis opgedragen.

 

foto 2008
Gepolychromeerd houten beeld uit de 18e eeuw van de heilige Apollonia, in de nis van haar (zij)altaar.

 

Elke zondag kwamen gelovigen van Ledeberg en omstreken er op beeweg, opdat zij of hun verwanten zouden verlost worden/blijven van tandpijn: eerst een gebed prevelen voor het altaar van Sint-Apollonia (of de mis bijwonen), dan de ommegang doen langs de 'Kleineberg' (nu 'verlengde' Varing) en 'Hogeberg' (nu Kluisberg), tot driemaal toe!. Bij de Lievevrouwkapel aan de voet van de 'berg', op de Varing werd even halt gehouden en ook gebeden. In 1926 liet kapelaan De Roeck langs die ommegang betonnen kapelletjes op voet plaatsen, met in ieder een afbeelding van de Zeven Smarten van Maria (12). En uiteraard werd er vanaf toen bij elk van de kapelletjes gestopt en gebeden.
Maar vooral op 9 februari, de feestdag van Sint-Apollonia, kwamen drommen gelovigen, van ver en dichtbij, een van de missen bijwonen, en zeker de relikwie kussen. Na de hoogmis deden velen ook nog de ommegang. In de namiddag liep de kapel voor het lof opnieuw tot barstens toe vol!

 
1914
Tot begin de jaren (19)50 bleef de toeloop groot, daarna begon de devotie te slabakken.

* Gedurige aanbidding
Op het feest van de Heilige Apollonia. Maar de bedevaarders waren zo talrijk dat de gedurige aanbidding erdoor werd gestoord zodat deze vanaf 1907, met toelating van het bisdom, naar 17 mei werd verschoven. Deze dag werd in ere gehouden tot in 1974.
1.5. Kapel
* Als slotkapel van de burcht van de heren van Ledeberg, mogelijk gebouwd in de tweede helft van de 11e eeuw, waarschijnlijker in het begin van de 12e eeuw. Vermoedelijk was ze gedurende eeuwen een rechthoekig gebouw met een spits torentje in het midden. De meterdikke muur van de huidige kerk langs de pastorietuin is er een laatste duidelijk overblijfsel van.
 


foto 2019

Deze muur is 11 m lang, wellicht de lengte buiten van de primitieve kapel. Rekening houdend met de 1 meter dikke muren was de afstand binnen tussen de muur vooraan (waar nu nog de eerste dikke pilaar staat) en de muur achteraan (waar nu het oksaal begint/ronde steunpilaren), 9 m. De binnenbreedte bedroeg, gemeten op een ongedateerd plan, ca. 6,5 m. (Dit is ook de afstand tussen de dikke muur en de buitenkant van de logge vierkante steunpilaren van de zijbeuk.) (13) Samengevat: binnen, bij benadering 6,5 op 9 m, buiten 8,5 op 11 m.
In 1579 moest de huurder van een stuk grond gerelateerd aan de kapel bij de aanvang van zijn pacht 14 gulden betalen ‘tot reparatie vande Cappelle’.
Toen de minderbroeders recolletten in 1640 op Ledeberg aankwamen was de kapel erg verwaarloosd. Zij braken toen de achtergevel van de kapel af (die ca. 1 m langer werd) om ze te verbinden met hun kluis, gebouwd in het verlengde van de kapel.
In de jaren (16)70 werd de kapel geplunderd door Franse troepen.
In 1696 moest de huurder van een perceel toebehorend aan de kapel 8 gulden betalen ‘ten behoeve vande voorseijde Cappelle’. De kapel werd vooraan uitgebreid, 4,5 m diep en 5 m breed (waar nu de eerste dikke pilaar staat). (13) Daarbij werd de oorspronkelijke voorgevel gedeeltelijk afgebroken.
Op een kaart uit 1711 heeft J. De Deken kapel en aanleunende kluis getekend, ook de aanbouw vooraan, met ernaast een poortje en een bijgebouw.
 


Merk ook het kruis op, met lans en stok met spons, dat op de weg naar de kapel stond.

Wanneer moest de inrijpoort aan de zuidermuur plaats maken voor een gebouw (14) aan die zuidermuur ter hoogte van het oksaal dat via een buitentrap ernaast langs de verdieping toegang gaf tot dat oksaal? Trap die gebruikt werd door de leerlingen van het pensionaat die vanop het oksaal de diensten in de kapel volgden. (15)
In 1794 werd er een koor gebouwd, zo stond in een verdwenen cartouche. Werd de aanbouw vooraan toen getransformeerd tot koor of ging het om een herinrichting van een aldaar al bestaand koor?

* Na tien jaar treuzelen ondertekenden op 28 augustus 1828 de vertegenwoordiger van de familie de Merode en burgemeester Elias de Vidts een contract waarbij niet alleen werd belist over de afbraak wegens instortingsgevaar van de noordervleugel van de voormalige kluis, maar waarin ook werd overeengekomen dat de gemeente alle werken zou bekostigen, alsook moest instaan voor het verder onderhoud van kapel en pastorie. Zo moest ze in 1828  al het wankele oksaal verstevigen. Duidelijk werd ook gestipuleerd dat de familie de Merode eigenaar bleef.

* In augustus 1838 besprak de gemeenteraad het tekort aan plaats in de kapel. Als oorzaak werd de centrale ligging van de kapel (centraler dan de kerk aan de Dender!) aangegeven, waardoor een groot deel van de Pamelse gelovigen naar Ledeberg kwam. Bovendien waren er op Ledeberg ook twee kostscholen met 100 jongens en 40 meisjes die ‘verpligt zijn de goddelijke diensten bij te wonen in gezegde Kapel in de sacristey, op de Zaal zelfs tot op de Kamer van den Kapelaan alwaer ze met de vereyschte gesteltenis moeylijk hunne Catholijke plichten konnen kwijten’. Kapelaan De Rijcke ging daarop ook aankloppen bij de eigenares Joséphine de Merode-d’Ongnies. Maar wie over de brug kwam is onduidelijk. Uiteindelijk werd in 1840 het koor uit 1794 naar links verbreed (kant van de Puttenberg) en werd het onderdeel van het schip. Ervoor werd een nieuw koor gebouwd dat we vandaag nog kennen. Pas in 1949 werd het koor geplaveid. Waarschijnlijk werden ca. 1840 achteraan in de kapel ook (geleidelijk aan?) de ruimte onder het oksaal, de lage ruimte erachter (keuken) en de gang naar de pastorie toegevoegd. In het totaal was de kapel dan bijna 25 m lang geworden.
Rond 1865 kreeg de kapel ook dwarsbeuken. Links (naar de Puttenberg toe) een dwarsbeuk van 5,2 m op 7,9 m. Daarbij werd  het poortje met bijgebouw (plan De Deken) gesloopt. Rechts een dwarsbeuk van 4 m op 7,9 m. In de hoek van de linker dwarsbeuk en het koor werd ook een sacristie gebouwd. Kapelaan was toen Felix De Dobbeleer, ‘deze hadt tegenwerking’. Nadien werd de dikke zuidelijke muur (kant van klooster zusters) nog gerotst.

* Op initiatief van pastoor Van Eyndhoven stelde notaris Velge te Lennik in 1894 een akte op waarbij hertogin Marie Joséphine de Merode de huur van de kapel en de pastorie/kluis (ook het klooster, hof en school) voor 99 jaar verlengde tegen de jaarlijkse huurprijs van 250 fr.

* In 1910/1911 werd voor de leerlingen van het pensionaat, rechts naast het koor de annexe gebouwd, met afzonderlijke ingang. (16)
In 1917-1918 liet kapelaan Bervoets, tegen de wil in van pastoor Van Eyndhoven, niet alleen de bouwvallige meterdikke zuidgevel afbreken (17), maar ook de kapel naar rechts verbreden met een zijbeuk, door de nieuwe zijmuur enkele meters verder te bouwen. (18) Het is onduidelijk hoever de werken gevorderd waren toen de kapelaan in maart 1918 gemuteerd werd. Volgens een anonieme brief in het aartsbisschoppelijk archief in Mechelen bleef na zijn gedwongen vertrek een deel van het dak openliggen van 1918 tot 1921.
Ook het gebouw met buitentrap naar het oksaal werd afgebroken om plaats te maken voor de kerktoren, toen nog met een plat dak. Hiervan sleepte de afwerking zelfs aan tot in 1933, met geruzie tussen kerkfabriek en gemeente over wie moest betalen.

* Intussen was in 1920 het spitse torentje door de Commission Royale des Monuments et des Sites geklasseerd, opgenomen in de derde klasse van de lijst der mooiste sites van het land!

* Op 1 oktober 1923 schonk hertogin Philomène de Lévis Mirepoix, vertegenwoordigd door pastoor Van Eyndhoven, in een akte (19) opgesteld door notaris Philip Michiels van O.-L.-V.-Lombeek, aan de kerkfabriek van Pamel (20) ‘... den vollen eigendom van een woonhuis met hof ten gebruike van den heer onderpastoor, gelast met den dienst der Kapel van Pamel-Ledebergh en een deel bosch waarmede omgeven gemelden hof, de kapel en het klooster, gestaan en gelegen te Pamel, op de hoogvlakte van Ledebergh, wijk C nummer 283a en deel van nummer 530g des kadasters, groot in oppervlakte een hectare twee en zestig aren negen en veertig centiaren, palende aan ......... en ook aan de kapel van Ledebergh, die er zich te midden in bevindt en uitmaakt nummer 384a des kadasters, aldaar gekend met eene grootte van drij aren zestig centiaren en ingeschreven is op naam der gemeente van Pamel.'
Niet verwonderlijk dat deze laatste zinsnede soms de vraag deed oprijzen: Wie is de eigenaar van de kapel; de gemeente of de kerkfabriek? (21) Al in 1927 vroeg kapelaan Tielemans het aan het gemeentebestuur, maar het antwoord was niet eenduidig. (Heden wordt algemeen aanvaard dat de kapel/kerk eigendom is van de gemeente, omgeven door eigendom van de kerkfabriek. Ook van de pastorie is de kerkfabriek eigenaar.)

* Vroeger werd de kapel verlicht met kaarsen en petroleumlampen, later ook met carbuurlampen. Soms gingen, bij gebrek aan toevoer van carbuur vanuit de pastorie, alle lichten in de kapel ineens uit. In 1924 werd de elektriciteit binnengeleid en installeerde de maatschappij ‘L’ énergie électrique’ uit Aalst de binnenleidingen en de lichten (kostprijs 1490 fr). Om de lampen te vervangen moe(s)t men naar de zolder en daar op de balkjes lopen (want ertussen is er alleen maar ‘plaksel’) naar waar de lampen hangen. Deze worden dan naar beneden gelaten, vervangen en dan terug naar boven getrokken.
Tijdens het interbellum werd de kapel verwarmd met een kachel op steenkool, later met een mazoutkachel.

1.5.1. Buitenzicht

foto ca. 1905: geen annexe, geen grafstenen; links achteraan het gebouw met buitentrap naar het oksaal, dat afgebroken werd voor de bouw van de (2e) toren.

 


foto ca. 1932: kapel met achteraan de toren met plat dak. Vooraan het pas aangelegde driehoekig perkje rondom het H. Hartbeeld, dat op 3 mei 1931, ter gelegenheid van de H. Hartfeesten, werd gewijd door kardinaal Van Roey. (Toen in 1961 het perkje parkeerplaats werd verhuisde het beeld naar de annexe en werd vandaar 'gedumpt' in het bos (!) achter de kerk, en ... verdween?) Het kruisbeeld werd, na de bouw van de annexe (1910/1911), tegen de koormuur gehangen..

(zie ook foto uit de jaren (19)40)

  1.5.2. Binnenzicht
 

foto uit de jaren (19)30
Vooral aan de pilaren hadden verschillende (plaasteren) heiligen een vaste stek: Sint-Rochus, Sint-Barbara, Sint-Antonius, Sint-Jan Berchmans, Sint-Jozef. Ook stonden er beelden van het Kind Jezus van Praag en van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes en van engelen die een kandelaar vasthielden. In de jaren (19)60 (tweede Vaticaans Concilie) verdwenen zij allen naar de zolder van de pastorie, tot ze rond 2000 werden verkocht aan een brocanteur. De oude kruisweg (waaarvan links op de foto nog een statie) werd vervangen en de communiebank vooraan werd verwijderd. In de jaren (19)50 werd de sobere preekstoel links, verwisseld met een barokke preekstoel (herkomst onbekend) die vooraan werd geplaatst. Er stonden ook twee biechtstoelen; een vrij grote, versierd met wat snijwerk, links in het transept en een sobere, volledig in de dikke linkermuur ingebouwd, uit de 17e eeuw (nog aanwezig).
 
1.5.3. Altaren
 

foto 2008

 
Het barok hoofdaltaar uit de 2e helft van de 17e eeuw, heeft in de nis het beeld van O.-L.-Vrouw dat werd aangekocht in 1845, toen ze nog patroonheilige was. Boven haar nis prijkt in een cartouche het opschrift 'Hulp der Kristenen' en daarboven het wapenschild van de familie d' Ongnies, vroegere heren/vrouwen van Pamel en Ledeberg. In 1847 werd voor het nieuwe beeld een piëdestal gekocht (150 fr), samen met een mantel (45 fr) en twee zilveren kronen (65 fr).
De zijaltaren, links met de H. Apollonia en rechts met Sint-Jozef, zijn beiden uit de 18e eeuw. (22)

1.5.4. Glasramen
In 1943 schonk zilversmid Altenloh 2x2 glasramen die achteraan in de kerk werden geplaatst, waarvan twee het bezoek van Maria en Jozef aan Elisabeth en Zacharias voorstellen en de twee andere de statie 'Jezus troost de wenende vrouwen' uit de kruisweg.
 

1.5.5. Orgels
In 1797 was het orgel buiten gebruik. Met de toelating in 1829 van plechtige missen kwam ook de nood aan een nieuw orgel. Het werd besteld bij Petrus Hubertus Anneessens en geplaatst rond 1830. Bleef het bespeeld tot in 1928 of werd het al in 1855 vervangen? Zeker is dat de firma Baert uit Waregem in 1928 een harmonium Hofberg plaatste: 2 spelen, 11 registers, 5 octaven, 3 genouillères. Op basis van de verkregen korting moet het een occasie-harmonium  zijn geweest, dat er wel tot ca. 1960 heeft gestaan. 

1.5.6. Klokken
Nog steeds hangt er in de toren de oude Sint-Apolloniaklok. Ze werd in 1824 te Leuven gegoten door Andreas Van der Gheyn en weegt 52 kg. Op 3 augustus werd ze ingezegend, met als peter Judocus Joannes Van Bellinghen en als meter Catharina Theresia Van Lierde. (23)

1.5.7. Benodigdheden voor de eredienst
Tijdens de Franse Revolutie werden op 17 april 1797 gewaden en andere benodigdheden voor de eredienst openbaar verkocht, die echter dankzij Frans Ignatius Lindemans, die optrad als stroman voor de recolletten, door hen weer konden worden ingekocht.
Op 12 oktober 1825 bezorgde pastoor Hoebrecht van Strijtem een aantal liturgische voorwerpen, die hij in de beloken tijd in veiligheid had gebracht, terug aan de kapel: eenen grooten en eene kleyne Kelck van silver vergult met hun bijgerief, item eenen casuyfel, twee dalmatia stoolen en manipel waarbij een velom in goud geborduurt.
In 1848 werden 'drij nieuwe alben met kant' aangekocht, in 1853 een monstrans ....

1.6. Inkomsten en uitgaven
* Naast de hoge kosten van grote verbouwingen, van klokken, … moest de kapelaan sinds de erkenning in 1825 zien rond te komen met de jaarlijkse inkomsten om er de uitgaven mee te betalen. Een resumé hiervan is terug te vinden in de jaarlijkse rekeningen van de Fabrieksraad (kerkfabriek).
Zo blijkt uit de rekening van 1848 dat de ‘inkomst der stoelen’ de belangrijkste post was: 384 fr. Gegoede gelovigen hadden in de kapel hun eigen stoel en betaalden ervoor. Ook kwam er 208 fr van de gemeente voor de ‘onderpastorelen trok’, zijnde de wedde van de kapelaan, bedrag dat uiteraard ook bij de uitgaven stond. Tweede hoogste bedrag in de uitgaven was 82 fr voor ‘drij nieuwe alben met kant etc’. Daarna volgde 67,80 fr voor een ‘nieuwen plancher in ’t sacristijn’.

* Soms moest de kapelanie de inkomsten ook delen met de parochie Pamel. In 1923 bv. kreeg de kerkfabriek van de gemeenteraad de toelating een perceel bos te verkopen, op voorwaarde dat de ene helft van de opbrengst besteed werd aan de kapelaanswoning en de andere helft aan het orgel in de parochiekerk. In 1929 mocht de kerkfabriek op Ledeberg zeven bomen laten kappen op voorwaarde dat de ene helft van de opbrengst diende voor de betaling van herstellingen aan het dak van de kapel en de andere helft voor het onderhoud van de parochiekerk. Duidelijk wou de gemeenteraad, bewust van de heersende onderlinge vete, telkens de kool en de geit sparen.

* Occasioneel waren de inkomsten van 'Liefdadigheidsdagen' op 17 en 23 april 1933 in het voormalige pensionaat.

1.7. Pastorie
In 1828 werd de noordervleugel (stond waar nu zaal De Kluis staat) van de voormalige kluis afgebroken en vervangen door een stevige muur. Als woonhuis (pastorie) van de kapelaan bleef de westelijke vleugel van de vroegere kluis staan, maar moest wel verstevigd worden met afbraakmateriaal. Ook ingang en trap naar de kelder moesten verplaatst worden (zaten voordien in de noordervleugel).
In 1877/1880 werd de ingang van de pastorie verschoven van het uiteinde (kant Puttenberg) naar het midden van het gebouw. Om de sporen van de verbouwing te camoufleren werd de voorgevel gerotst en versierd met leeuwenkoppen.
In de 19e eeuw werd een nieuwe keuken ingericht in de pastorie, waardoor de vroegere keuken uit 1656 tot bergplaats herleid werd: het kluizekot. In de 20e eeuw werd deze naam in de volksmond vervormd tot ’t luizekot. (24)
1.8. Kapellen-kapelletjes, beelden kruisen
Lievevrouwkapel op de Varing
In de achtermuur van de kapel werd een arduinen gedenksteen gemetseld met erin gebeiteld: ‘ANNA DOEMSCHE DOEN MAECKEN DESE CAPPEL A° 1717’. (De tekst werd overschilderd en is moeilijk leesbaar: het kan ook 1712 of 1713 zijn geweest.). Waarschijnlijk wordt Anna Doems/Dooms bedoeld (25), pachteres op het Gasthuishof aan de Lombeekstraat. Het is gissen naar de reden waarom ze nogal ver van haar woonplaats een kapel liet bouwen. Hebben de minderbroeders recolletten uit de Kluis, de plaats aan de rand van het toenmalige Ledebergbos voor haar uitgekozen, tevens als rustplaats voor de bedevaarders, ongeveer midden de ommegang van Sint-Apollonia?
* Kapel van Dalem, halverwege het wegje tussen de Groenenboomgaard en de Dalemweg.
Volledig afgebroken.
* Kapel Sint-Antonius van Padua, aan de Kaaitvaartstraat.
Gebouwd in 1903 door de familie Haeseleer van de aanpalende boerderij, om deze van veeziekten te vrijwaren. Tot in de jaren (19)60 kwam men er op bedevaart.
 

wordt aangevuld

------------------------------------------------------------------------
(1) Slechts eenmaal, in een charter van het Sint-Janshospitaal, is er sprake van 'de prochie van Ledeberghe'. Waarschijnlijk een Brusselse misvatting van de lokale toestand.
(2) Volgens J. Verbesselt is ze niet ouder, ‘zo niet dan moest ze bij de Dries staan’. Ook verwijst het statuut van appendicium naar een later ontstaan dan de kerk van Pamel. In ‘Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13e eeuw’, deel XXIII, Koninklijk Geschied- & Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1991, 572 p. Aldaar pp. 268, 273.
(3) Door hun afgezonderde, maar belangrijke ligging en de dubbelzinnige feodale positie, Vlaams en Brabants.
(4) De kapel van Ledeberg werd dus betiteld als ondergeschikt aan/afhankelijk van de kerk van Pamel.
(5) Kapelanie die echter niet was ingesteld door de bisschop van Kamerijk! Volgens de oud deken van de dekenij Halle waartoe Ledeberg behoorde, was het een vrome daad van Willem die de kapelanie voorzag van een rijke dotatie voor de kapelaan, meer niet.
(6) Joannes van Overstraeten, Henri Claus en Judocus Joannes Van Bellingen.
(7) Kon de gemeente dit bedrag recupereren bij de Staat? En kreeg de kapelaan er nog 100 gukden bovenop, zoals één bron vermeldt?
(8) waarvan o.a. kanunnik Petrus Covens, Jan Borginon.
(9) Gerard van Herreweghen in ‘Eigen Schoon en de Brabander’, mei-juni 1964. Aldaar p. 185.
(10) De gewone voorwaarden: bidden voor de eendracht onder de christen vorsten, voor de glorie van de kerk en voor de uitroeiing van de ketters.
(11) Zit in de relikwiehouder werkelijk de tand van Sint-Apollonia?
Een document van het aartsbisdom Mechelen uit 1819 geeft geen uitsluitsel, omdat het bewijs ontbreekt, hoewel de authenciteit niet uitgesloten is. De tand mag ter verering aangeboden worden. Een gelijkaardig document werd nogmaals afgeleverd op 22/7/1927.
(12) 7 kapelletjes: 1 op de Kapelleweide rechtover het kostershuis, 3 langs de Kleineberg, 1 beneden, 1 halverwege en 1 boven de Hogeberg.
Na 1970 hebben vandalen de kapelletjes fel beschadigd, sommige stuk geslagen, daarna werden ze verwaarloosd.
(13) François De Neef: ‘825 jaar Kerk te Ledeberg’, Davidsfons Roosdaal, extanummer DF-Klokje, 2004, 185 p. Aldaar p. 49.
(14) In de zijgevel van dit gebouw vormden muurankers het jaartal 1137. Een verwijzing naar de bouw van de kapel? naar de stichting van de abdij van Ninove?
(15) Het gebouw is wel aangeduid op een plan van ca. 1828.
(16) Na de teloorgang van het pensionaat in de jaren (19)30 werd de annexe stilaan bergplaats. Rond 2000 werd ze ook een aantal jaren gebruikt bij de lijkbegroeting.
(17) Koster Jozef Vandeperre zei erover dat men ‘de afvalstenen op de Kapelleweide’ had gegoten en dat deze ‘praktisch vol’ lag. ‘De zandsteen die eruit kwam, hebben ze terug verwerkt in de nieuwe zijmuur’.
(18) De primitieve kapel liep door de ingreep weer schade op. Bovendien was/is vanuit de zijbeuk het hoofdaltaar door de brede pilaren amper zichtbaar.
(19) Op basis van een schenkingsakte opgesteld te Parijs door notaris Girardin op 11 juni 1923.
(20) Voorheen was de kapel privébezit en was er geen kerkfabriek vereist. Dat veranderde in 1923, maar vermits de parochie Sint-Apollonia toen afhankelijk was van de parochie Sint-Gaugericus werd over de materiële belangen van de parochie Sint-Apollonia beslist binnen de kerkfabriek van Pamel. Wel dient gezegd dat in deze kerkfabriek de Ledebergse parochie meestel wel vertegenwoordigd was (door kapelaan, parochiaan).
(21) Temeer daar pastoor Van Eyndhoven van de hertogin volmacht had gekregen om ook de kapel aan de kerkfabriek te schenken.
(22) Of zijn hoofd- en zijaltaren van jongere datum, 19e eeuw?
(23) Nodig, want de Fransen hadden de vorige klok geroofd.
(24) François De Neef: o.c. (noot 13). Aldaar p. 49.
(25) Ook zou het Joanna Donzee, de tweede vrouw van schoolmeester Arent Evenepoel kunnen zijn. Zij woonde op de Dries, dichter bij de kapel en ook zij kon zich de bouw van een kapel permitteren, maar zij wordt in alle documenten Joanna genoemd, nergens Anna.

 
2. 1958/1963 -

2.1. Toen kapelaan Van De Gucht in 1958 op Ledeberg arriveerde had hij van het bisdom de belofte gekregen dat hij er binnen een redelijke termijn pastoor zou worden. Intussen mocht hij er al dopen, huwen en voorgaan in begrafenissen. Uiteindelijk werd bij koninklijk besluit van 17 april 1963 de 'wijk der kapelanij te Ledeberg' opgericht tot (hulp)parochie, 'onder de aanroeping van de Heilige Apollonia'. Waarmede deze officieel werd bevestigd als patrones.

2.2.1. Kerkfabriek
De erkenning als zelfstandige parochie hield ook de oprichting in van een eigen kerkfabriek. Deze nam o.a. de eigendommen over die in 1923 aan de Pamelse kerkfabriek waren geschonken.
2/7/1963 - 4/4/1977: Kestens Jozef, voorzitter
2/7/1963 - 5/4/1975: De Bolle Jozef, schatbewaarder
Ook Johannes Clement, Frans Vierendeels en Achiel Vanderschueren waren lid van bij het begin. Pastoor Van De Gucht was secretaris.

2.2.2. Parochieploeg
Na een viertal voorbereidende parochiale vergaderingen werden in 1994 Rosa Vierendeels, Monique Ghijsels, Jan Derideaux, Marc Nieuwborgh en Hubert De Bolle verkozen tot lid van de parochieploeg.
Zij kwamen voor het eerst samen op 24 september 1994. In die beginjaren vergaderden ze meestal, zij het gedeeltelijk, samen met de parochieploeg van Pamel; 6 à 9 maal per jaar. Maar de samenwerking tussen beide parochieploegen verliep soms moeilijk en na enkele jaren werd er vaak afzonderlijk vergaderd, om daarna al vlug volledig te scheiden. Onderwerpen van gesprek en/of actie waren o.a.: Welzijnszorg (1995 e.v. jaren), Broederlijk Delen (1996 e.v. jaren), informatiebrochure (1994, 1995), liturgische jaarkalender (1994-1998), lijst van lectoren en collectanten (1994 e.v. jaren), voorbereiding parochieraad (1995 e.v. jaren), overleg met de kerkfabriek over de te heropbouwen pastorie (1996, 1997), gesprek met de catechisten (1996, 1997, 1998), gebedsviering (1995 e.v. jaren), parochiale denkavond (1997) (1), bezinning te Affligem (1998 e.v. jaren).
In 1998 werd een liturgische werkgroep opgericht die de vieringen rond Kerstmis, Sint-Apollonia, Pasen, … Allerheiligen voorbereidde (2).
 
 
2.2.3. Parochieraad
In 1995 nodigde de parochieploeg twee afgevaardigden van elke parochiale vereniging uit om een parochieraad te vormen en jaarlijks twee à viermaal te vergaderen.
Onderwerpen van gesprek en/of actie waren o.a.: jaarlijks parochiefeest (1995 (3) e.v. jaren), rondgang communie aan de zieken (1996), parochieblad (1996), wettelijke bepalingen en verplichtingen rond parochiale v.z.w.'s (1996), kerststal op Ledebergdries (1996).
2.3.1. Kapelaan
1958 - 13/7/1963: Van De Gucht Louis

2.3.2. Pastoors
14/7/1963 (plechtige aanstelling) - 1987: Van De Gucht Louis
1987 - 21/6/1993: Uytterhoeven Jozef
2.5 Kerk op de Kapelleweide

2.5.1. Buitenzicht

De toren heeft ca. 1963 een puntdak gekregen. In de jaren (19)70 werd de kerk wit geverfd; het kruis van het spitse torentje hersteld.
Merk tegen de muur ook drie grafzerken.
Op 19 februari 1993 blies een felle wind een van de twee resterende oude beukenbomen op de kerk. De zware stam en de takken drongen diep in het dak en beschadigden de sacristie, het koor en de zijbeuk.

In 1995 werden de buitenmuren gezandstraald en opgevoegd. Het dak kreeg de nodige herstellingen, het spitse torentje werd rechtgetrokken en verstevigd. (4)
 


foto 2020

2.5.2. Binnenzicht
In 1996 kreeg de kerk binnen een volledige verfbeurt. (4)

Rechts vooraan hangt een eikenhouten barok Christusbeeld.
 


foto 2009

In 1982 werd het wit geverfde kruisbeeld, dat buiten aan de koormuur hing, toevertrouwd aan de Hogere Rijksschool voor Beeldende Kunsten te Anderlecht, om het te restaureren. De verflagen werden verwijderd, de barsten hersteld, het verrotte hout vervangen, de ontbrekende tenen aan de linkervoet en een vinger aan de rechterhand terug aangezet, …  De restauratie duurde tot in 1983, maar het resultaat was verbluffend en er werd besloten het beeld in de kerk te hangen.

Ernaast op het zijaltaar staat een gepolychromeerd houten beeld van Sint-Anna te Drieën. Vooraan links staat op een sokkel een Ecce Homo (17e eeuw?), geschonken door zilversmid Altenloh. In het transept hangen twee schilderijen. 'Aanbidding der Wijzen', op schildersdoek, olieverf, waarschijnlijk in de 17e eeuw geschilderd door een leerling van Geraert Seghers. Het werd in 1943 eveneens door Altenloh geschonken en hing eerst op Ledeberg in de pastorie. 'Opdracht van Jezus in de Tempel', op schildersdoek, olieverf, ca. 1994 geschonken door onderwijzer Frans Kestens. (5) Volgens het VTM-programma 'Rijker dan je denkt' was de kunstwaarde niet erg hoog. Aan de kleine altaartafel, aan de twee lezenaars en aan een tweetal pilaren hangen houtsnijwerken, die o.a. de evangelisten symboliseren en afkomstig zijn van de barokke preekstoel die ontmanteld en verwijderd werd.

 

2.5.3. Altaar
Het kleine altaar, 'dienstdoende' als hoofdaltaar, stond oorspronkelijk in de kapel van de zusters. Het werd na hun heengaan in 2007 overgebracht naar de kerk.

2.5.4. Glasramen
Om de kerk van de toekomstige zelfstandige parochie meer grandeur te geven bestelde pastoor Van De Gucht, op advies van pater Raedschelders bij Jozef Beeck (Mechelen) tien 'moderne' glasramen, die ondanks/omwille van hun moderniteit heel mooi ogen, vol symboliek zitten en niet storen. Ze werden in 1959 ingezet. Pastoor Van De Gucht vond Ledebergse families die in hun geldbeugel wilden tasten, de ene (heel)wat dieper dan de andere:
schip/zijbeuk,
rechts: Doopsel (familie Nieuwborg-Dupont en fam. Clement-Nieuwborg); Vormsel (fam. Dhondt-Van den Borre); Priesterschap (fam. De Bolle-Van Den Bosch)

 

foto 2009: Priesterschap
 
links: Biecht (fam. Vierendeels en fam. Schets-Stockmans); Oliesel (fam. Vandeperre-Van Der Plas); Huwelijk (fam. Vandenberghe)
kruisbeuk,
rechts: Sint-Jozef (Jozef De Schepper)
links: Sint-Apollonia (fam. Roossens-De Wit)
koor: O.-L.-Vrouw (fam. Kestens-Coomans)
annexe: Eucharistie (fam. Borginon)

2.5.5. Orgel
Het is een zwelkastorgel met twee klavieren, een 'occasie' rond 1960 aangekocht bij de firma Kerkhoff te Brussel. Voor de orgelkast werd een sierfront geplaatst, louter decoratief, met houten sierpijpen! Dit fronton is herkomstig van de Kapucijnen in Menen. Het orgel zelf is zeer diffuus, met pijpwerk uit verschillende perioden, zelfs enkele elementen uit draaiorgelpijpwerk.

2.5.6. Klokken
Rond 1960 startte pastoor Van De Gucht een klokkenfonds. Er werden enveloppen rondgedeeld waarin de parochianen hun bijdrage konden steken en maandelijks was er een omhaling in de kerk, om er uiteindelijk drie klokken mee te betalen. Deze werden in 1961 te Leuven gegoten door de firma Sergeys. Al op 15 augustus 1961 werden ze door Mgr. Cruysberghs plechtig gewijd. De parochie maakte er met stoet en fanfare een feest van.
* Maria-klok: 510 kg; toonhoogte: la; peter: Albert Roosens, meter: Marie-Louise De Schepper-Timmermans.
* (nieuwe) Apollonia-klok: 358 kg; toonhoogte: si; peter: Joannes Vandeperre, meter: Francisca Albertina Kestens-Coomans.
 

foto 1961: Jozef-klok
 

* Jozef-klok: 278 kg; toonhoogte: do-kruis; peter: Jozef De Bolle, meter: Marie Borginon.
Pas nadat de toren was verbouwd en een puntdak kreeg, konden in 1964 de drie klokken worden opgehangen. Terzelfdertijd was ook het luiden geautomatiseerd (en moest de koster niet telkens naar de kerk om aan het touw te trekken).

2.5.8. Pastorie
Al in 1964 vroeg de kerkfabriek (pastoor Van De Gucht) aan de gemeente een nieuwe pastorie en diende een dossier in, maar het bleef bij goedgekeurde, dan weer uitgestelde en opnieuw aangepaste plannen.
Nog in 1977 werd de (oude) pastorie als volgt beschreven: ‘Pastorij naast de kerk, toegankelijk langs een rondboogdeurtje met zandstenen omlijsting van negblokken (XVIII). Tweeverdiepingshuis van vier traveeën met mansardedak (kunstleien), naar uitzicht te dateren in XIX doch met een oudere erin opgenomen kern van het vroegere klooster. Beraapte voorgevelbepleistering. Steekboogvensters met gecementeerde omlijstingen en lekdrempels van arduin; arduinen steekboogdeur.' (6) Op de bovenverdieping waren de meeste binnenmuren nog van leem. In een van de kamers was het plafond versierd met stukwerk verwijzend naar Sint-Paulus.
 


Toen pastoor Van De Gucht er nog woonde.

Intussen werden de nodige onderhoudswerken alsmaar uitgesteld en na het vertrek van pastoor Van De Gucht verloederde het gebouw door leegstand nog sneller. Eerst werd nog gedacht aan restauratie, maar eind de jaren (19)80 was het verval zo groot dat een deskundige ‘vernieuwbouw' adviseerde met ‘behoud van de kelder en reconstructie in de huidige uitwendige bouwstijl'. Toch duurde het nog tot 2000 vooraleer er kon afgebroken en gebouwd worden, met gelijkvloers een ontmoetings- en archiefruimte en op de 1e verdieping woongelegenheid. Uiteindelijk werd de pastorie op 10 juni 2001 feestelijk ingehuldigd.
 

2.6. Kapellen-kapelletjes, beelden, kruisen
* Kapel van O.-L.-Vrouw, aan de Kapellestraat.
Gebouwd in 1987 ter vervanging van de oude die erg vervallen was en moest verdwijnen voor de heraanleg van de straat. Op 1 mei 1988 werd de nieuwe kapel door deken Uytterhoeven plechtig ingewijd.
De oude kapel werd rond 1970 nog omschreven als: ‘Eenvoudig kapelletje van bepleisterde en beschilderde baksteen onder pannen zadeldak; typerend houten kozijn met geprofileerde spijlen.' (7)

  2.7. zaal De Kluis (Kapelleweide)
Gebouwd in 1971-1972, officieel geopend op 9 december 1972.
 



-------------------------------------------------------------------------------------
(1) mei: ‘Elk in zijn eigen taal, op weg naar een parochie voor morgen'; september: ‘Parochie voor morgen'.
(2) De parochieploeg van Pamel had een gezamenlijke liturgische werkgroep voorgesteld, maar gezien de stroeve samenwerking binnen de parochieploeg, ging toch elk afzonderlijk.
(3) 1995: met viering van zuster Marie-Borgia.
(4) Het einde van de restauratiewerken werd op 25 mei 1996 plechtig gevierd.
(5) Hij kreeg het van zijn oom Kestens Remi, pastoor te Alsemberg, waar het in de pastorie hing.
(6) ‘Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen', 2n, Vlaams Brabant Halle Vilvoorde, Ministerie van Nederlandse Cultuur, 2e druk 1977, 828 p. Aldaar p. 525.
(7) In 'Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen' o.c. 4. Aldaar p. 527.

 



 
  wordt aangevuld