boomstructuur: startpagina >
AZ-index > artikelindex D > artikel


De Bolle Joannes Josephus

Schatbewaarder van de kerkfabriek Sint-Apollonia

De Bolle Jozef, officieel heette hij Joannes Josephus, werd geboren te Pamel-Poelk op 16 maart 1910 en overleed te Roosdaal op 5 april 1975. Na zijn lagere school te Pamel mocht hij naar het college te Ninove, maar al vlug moest hij als oudste thuis blijven om moeder te helpen op de boerderij (want vader Philemon was al in 1919 overleden). Vandaar dat Jozef ook actief was in de Pamelse 'boerenjeugd'.
Op 5 september 1939 huwde hij met Irma Georgette Van Den Bosch (Pamel 7/10/1910-Roosdaal 18/3/2002).

 
 

Het jonge paar ging inwonen op Kaaitvaart bij Louise, Felicie, Alice en Remi, zijn schoonzussen en schoonbroer. Het bleef de tweede thuis van het gezin (1), ook al bouwden Jozef en Irma in 1947 wat verderop aan de Kaaitvaartstraat nr 69. Intussen waren er al drie jongens geboren en zouden er nog twee volgen in de nieuwe woonst.
Tijdens en kort na de oorlog leefden de twee gezinnen van de opbrengst van de boerderij en van de fruitteelt. Maar dan begon Jozef met het 'uitgeven' van handschoenen: hij haalde de gesneden handschoenen bij de fabriek Schuermans te Brussel en liet ze dan naaien door een twintigtal huisvrouwen in Pamel en omgeving. Sommigen naaiden de handschoenen met de hand (hogere kwaliteit en prijs), anderen op de machine. Enkele naaisters kwamen de handschoenen ophalen en terugbrengen, maar naar de meesten fietsten de oudste jongens, met een pakje handschoenen op de bagagedrager. Ook thuis werd er tot 's avonds laat gestikt en werden vele handschoenen nog gevoerd (2). Jozef bracht dan de afgewerkte handschoenen gewikkeld in een grote doek, terug naar de fabriek in Brussel, later ook naar een handschoenenfabrikant in Ninove, eerst met de tram, vanaf 1952 al met zijn VW-kever. Ook bleef het gezin aardbeien telen, een bijkomende bron van inkomsten, welgekomen omdat vader Jozef en moeder Irma absoluut wilden dat hun zonen konden 'verder studeren'. Maar na 1955 begon de verkoop van handschoenen te slabakken en bovendien werd de volledige productie gecentraliseerd in de fabriek, de thuisnijverheid verdween op enkele jaren volledig. Jozef bleef niet bij de pakken zitten, opende een kruidenierswinkel en werd handelsvertegenwoordiger tot aan zijn pensioen, eind maart 1975. Enkele dagen later overleed hij.Waar hij ook kwam, in de handschoenenfabriek te Brussel, bij zijn klanten-winkeliers, op Kaaitvaart, Jozef werd gewaardeerd om zijn gemoedelijkheid en zijn wijsheid.
In de parochie Sint-Apollonia op Ledeberg was hij schatbewaarder van de kerkfabriek, schenker van het glasraam 'Priesterschap' (3) en peter van de Jozef-klok. Hij stond achter de oprichting van de zelfstandige parochie Ledeberg, zonder te vervallen in een extreem Ledebergs chauvinisme, dat hij trouwens doorzag.
Het was alsof zijn VW op water reed: schoonzussen, schoonbroer, ook buren bolden mee naar de mis (eventueel reed hij tweemaal), naar de dokter, naar de winkel ... regelmatig ging hij 's zaterdags pater Raedschelders (4) in Denderleeuw ophalen om hem dan 's zondags terug te voeren. Tienduizenden kilometers reed de VW voor de chiro. Gratis!
Voor zijn schoonzussen en schoonbroer was Jozef de toeverlaat, in zijn gezin vertrouwde echtgenote Irma volledig op hem. Aan zijn zonen gaf hij een grote vrijheid en toch wisten ze heel goed wat ze konden doen en wat ze best lieten. Ruimte in denken en doen, maar met grenzen vanuit een sociaal christelijke inspiratie, en ook overeenkomst tussen woord en daad typeerden hem.


---------------------------------------------------------------------
(1) Jaren sliepen één of twee jongens nog bij de tantes, jaren gingen de jongens (eens getrouwd, samen met hun echtgenote) er op zaterdag (overvloedig) eten, jaren heeft die goede tante Felicie nog geholpen in het gezin.
(2) Op een houten hand (zonder duim) werd de voering getrokken en dan gestoken in de handschoen. De duim werd erin gebracht met een 'baguette'.
(3) Samen met schoonzussen Louise, Felicie, Alice en schoonbroer Remi.
(4) Eerst kwam hij maandelijks preken op Ledeberg. Toen pastoor Van De Gucht ziek was, droeg hij er enkele jaren wekelijks de mis op.