boomstructuur: startpagina >
AZ-index > artikelindex I > artikel


Immaculata Maria-Instituut (secundair)

Kapelleweide 5 Roosdaal
 
'Augustus 1947 waren de Zusters van Overijsche zinnens het oude pensionaat van de Juffrouwen Lecoyer te kopen om er een huishoudschool te openen. Door tussenkomst van het bisdom moest van dit plan afgezien worden en onmiddellijk werd aan de bevolking aangekondigd dat de Zusters van Ledeberg de zolang verwachte school voor de grote meisjes zouden openen op 15 september' (1). Aankondiging o.a. via 'Het Belang van Pamel' (2):
 

Eerst zaten de leiding van de basisschool en die van het 'voortgezet onderwijs' sterk in elkaar verstrengeld. Tot in 1958 toen de zusters op Ledeberg een afzonderlijke vzw 'Immaculata Maria-Instituut, Technische en Beroepsschool, te Pamel' oprichtten. In 1983 werd voor het eerst een leek, Hubert De Bolle, directeur van het I.M.I (secundair).

1. 1947-1958

1.1. Het 'voortgezet onderwijs' evolueerde van de 'coupe' (zo genoemd in Pamel) naar de afdelingen Snit en Naad en Handel. Het onderwijs werd volledig beheerd vanuit het moederklooster in Vorselaar, via de plaatselijke zusters, die de pedagogische, bestuurlijke en financiële richtlijnen nauwgezet uitvoerden.

1.2. - Bij de start in 1947 nam moeder Felicie (A.M.E. Otten) de leiding op zich, maar gaf die in 1948 al door aan zuster Teresa (M.V. Verbeken).
- De eerste lekenleerkracht was Albertina Cautaerts. In september 1948 werd Marcella Servranckx aangenomen. 'Beide Juffrouwen leraressen werden betaald met het schoolgeld van de leerlingen die elke maand 125 fr. betaalden.' Het jaar daarop begon Agnes Cornelis er les te geven. Aldus betaalde regentessen waren samen met enkele zusters gedurende een tiental jaren de lesgeefsters in de 'coupe'. Wanneer echter één van de juffrouwen huwde werd ze vervangen door een nieuwe juffrouw, tot deze ook huwde, ...
In de eerste jaren na 1956 moest de congregatie, in de nieuw opgerichte afdelingen Handel en Snit en Naad nog grotendeels zelf de wedden van de personeelsleden betalen. Vandaar dat in die jaren de zusters er vele vakken onderwezen (tot 32 uur/week), terwijl de technische vakken werden gegeven door lekenleerkrachten die (ook) nog in de 'coupe' of in de (wel gesubsidieerde) 4e graad van de lagere school les gaven.

1.3. Er is op Ledeberg vaak nood geweest aan lokalen. Bijna jaarlijks werd er verbouwd, werden er muren gesloopt, schutsels geplaatst of werd er bijgebouwd. Tegelijkertijd werden er tussen de basisschool en de secundaire afdeling klaslokalen 'uitgewisseld'. Dat was al in 1947 het geval toen een 'jongensbewaarschool' werd overgebracht naar een lokaal van het pensionaat en het vrij gekomen lokaal werd ingericht als 'naaiklas' voor het voortgezet onderwijs. Toen er in 1948 een tweede klas werd geopend moesten de kleuters opnieuw plaats ruimen en werden ze ondergebracht in de refter van de zusters. In 1949 moest er nog een derde 'bewaarklas' verhuizen. Van 1951 tot 1966 was de werkplaats van het klooster ook keukenklas. Zo palmde het voortgezet onderwijs lokalen in, waarvan de onderhoudsklas en een machineklas (kleding) zelfs tot in de jaren tachtig in de oudere gebouwen bleven. Geleidelijk aan werden de vaklokalen ingericht, werd didactisch materiaal aangekocht.
Met het schoolgeld van de leerlingen werden wat kosten betaald, maar het was vooral de congregatie die financierde!

1.4. 'De leerlingen werden er op veertienjarige leeftijd aanvaard (3). Ze volgden er gedurende drie of vier jaar de cursusssen in Snit en Naad en Huishoudkunde. Na het voltooien van hun studies werd een getuigschrift door de inrichting uitgereikt ofwel namen de leerlingen deel aan verschillende proeven ingericht door het Philotechnisch Instituut te Brussel. Deze leerlingen waren zeer degelijk voorbereid op het praktische leven. Velen gingen zich nog volmaken in ateliers voor Confectie en bleven er een plaats bekleden.' (4) Die 'coupe' was echter niet door de Staat erkend (= geen subsidies, geen uitbetaling van wedden door de Staat, geen officiële getuigschriften). Daarom en ook omdat ouders het vroegen, werd op 1 september 1957 de beroepsafdeling Snit en Naad opgericht. Ook het 1e en 2e jaar van de 'coupe', waar de leerkrachten intussen het officiële leerplan volgden, werden opgenomen in de nieuwe beroepsafdeling zodat in 1958, in de aanvraag tot erkenning, al werd gesteld dat de 'afdeling al een volledige studiecyclus van vier jaar omvat', waaraan de meisjes op twaalfjarige leeftijd begonnen.
In 1955 volgden enkele leerlingen in een apart (gesubsidieerd) 7e leerjaar van de lagere school het leerplan Handel, maar dit leerjaar werd door de Staat niet aanvaard als een 1e leerjaar Handel, zodat de leerlingen een studiejaar verloren, tot ergernis van die leerlingen en hun ouders. Op 1 september 1956 werd de technisch secundaire afdeling Handel dan werkelijk opgestart, om 'de kinderen gelegenheid te geven middelbaar onderwijs te ontvangen en hen alzo meer beroepsmogelijkheden te verlenen'. Een tweede leerjaar werd begonnen op 1 september 1957.

1.5. In 1947 werd begonnen met 30 leerlingen. In het schooljaar 1949-1950 volgden 27 leerlingen het eerste, 22 het tweede en 14 het derde leerjaar (= 63). 'Het aantal leerlingen groeide steeds aan en de belangstelling voor de specialiteit "Snit en Naad" blijft bij de bevolking van Pamel zeer groot.' (4) (5)



------------------------------------------------------------------------------------------
(1) Noteerde een zuster in het archief en ze voegde eraan toe: 'De onbevlekte Moedermaagd werd verkozen als patrones van de nieuwe inrichting die naar haar genoemd werd "Immaculata Maria"'.
Volgens zuster Marie Borgia had pastoor Janssens geprotesteerd en was de naam een 'tegemoetkoming'. aan de zusters van Overijse die de Zusters van de Onbevlekte Ontvangenis noemden.
(2) Van 23 augustus 1947.
(3) Nadat de meisjes, tot hun veertiende, in de lagere school de 4e graadklassen (7e , 8e leerjaar) hadden gevolgd.
(4) In 'Doel en Rechtvaardiging van de Afdeling', onderdeel van het dossier dat in augustus '58 werd opgesteld bij de aanvraag tot erkenning.
(5) De leerlingenaantallen van 1950-1951 tot 1957-1958 zijn voorlopig onvindbaar!



2. 1958-1983

2.1. Op 17 november 1958 (jaar van het schoolpact) werd een afzonderlijke vzw 'Immaculata Maria-Instituut Technische en Beroepsschool, te Pamel' opgericht. Naast pastoor J. Geeraerts waren alle leden zusters. Op 28 september 1972 werd deken J. Uytterhoeven de nieuwe voorzitter, maar op 4 december 1973 werd beslist de vzw te ontbinden en kwam het I.M.I. onder het beheer van de grote vzw 'Onderwijsinrichtingen van de Zusters der Christelijke Scholen, te Vorselaar'. Om o.a. het gebied te beperken waarin leerkrachten konden gereaffecteerd worden, werd op 1 september 1981 het I.M.I. overgedragen aan de pas opgerichte vzw 'Onderwijsinrichtingen Zusters der Christelijke Scholen West-Brabant', die 12 Pajottenlandse en Brusselse scholen beheerde. De zetel bleef evenwel te Vorselaar. De beheerders waren allen zusters en de afgevaardigd beheerder was zuster M.C. Schoeters, in alle scholen van Vorselaar gekend als zuster Maria Wilfrieda.
Wettelijk verplicht, op niveau van de school, was de Bestuurscommissie die over nieuwe afdelingen, lessentabellen, benoemingen ... telkens advies moest geven. In werkelijkheid werd die commissie maar jaarlijks samengeroepen en werden er tussendoor verslagen (die b.v. in elk dossier van vaste benoeming moesten zitten) pro forma opgesteld door de directie, die in feite besliste. Vanaf de tweede helft van de jaren (19)70 werd de besturscommissie een louter administratieve bedoening, omwille van overlappingen met het Plaatselijk Adviescomité waarin verschillende leden van de bestuurscommissie zetelden.
Dit Plaatselijk Adviescomité werd in 1974 opgericht omdat Vorselaar zo ver weg lag. Tot in 1982 kwam dit comité twee of driemaal per jaar samen en gaf advies over de vaste benoemingen, de aanvragen van nieuwe richtingen, het busvervoer, ... In 1982 nam E.H. J. Uytterhoeven uit onvrede voor het gevoerde beleid ontslag als voorzitter. De andere leden stelden zichzelf in vraag: kan men, waarover kan men als 'buitenstaander' zinvol advies geven?

2.2.- Op 1 september 1959 werd zuster Marie Polexine (M. Kabergs) directrice. (Officieus was ze het al vanaf 1957.) Haar doorzettingsvermogen was nodig om van overheidswege erkenning (en subsidiëring) te krijgen. Zuster Irena (M.H. Baelus) volgde haar op 1 september 1969 op, maar één jaar later al, op 1 september 1970, werd zuster Hildegard (J. Jacobs) de nieuwe directrice. Van haar is geweten dat ze een bijzondere aandacht had voor de kleine en grote menselijke problemen van haar personeel en van haar leerlingen.
- In het schooljaar 1958-1959 telden de afdelingen Snit en Naad en Handel samen 10 personeelsleden, in 1959-1960 samen 13. Onder hen nog een viertal onderwijzeressen, maar volgens de inspectie 'ware het wenselijk de lagere onderwijzeressen te vervangen door geaggregeerden voor het lager secundair onderwijs' of regentessen (alleen zuster Marie Polexine, die ook onderwijzeres was, mocht als directrice blijven!).
Op 1 september 1961 werd Adolf Vandeperre de eerste mannelijke lekenleerkracht, mits toelating van het bisdom die toen telken jare opnieuw moest aangevraagd worden, zo ook in 1963 toen de directrice nogal laconiek schreef: 'Bij gebrek aan vrouwelijke leerkrachten hebben we Vandeperre Adolf leraar in muzikale opleiding en Guldemont Frans leraar in dictie aanvaard. Beide leerkrachten zijn gehuwd en gedragen zich voorbeeldig.'
Nadat in 1965 de hogere cyclus Handel was opgestart kwamen ook de eerste licentiaten het lerarencorps versterken.
Tijdens het schooljaar 1969-1970 waren er 34 personeelsleden werkzaam, aantal dat steeg tot 40 in 1974-1975, tot 46 in 1975-1976, was 45 in 1976-1977, 48 in 1977-1978, 45 in 1978-1979, 49 in 1979-1980.

 

(foto 1981)
 
In de beginperiode werd het doen en laten van de personeelsleden sterk gereglementeerd, met de nadruk op een grote beschikbaarheid en inzet en uiteraard op een katholieke levenswijze. Oorspronkelijk was de naleving van al die reglementen bepalend voor de vaste benoeming en ook daarna volgde elk personeelslid ze nauwgezet op. Geleidelijk aan echter werden er, soms uit noodzaak, afwijkingen op toegestaan. Daarna werden, gezien de gewijzigde levensopvattingen en wetten, de reglementen zelf aangepast, versoepeld. Hoewel een katholieke levenswijze gevoelig bleef, werd slechts uitzonderlijk een geschil voorgelegd aan de deontologische kamer.
Tot in de zestiger jaren bleef het voor leerkrachten en directie mogelijk op informele wijze overleg te plegen. Iedereen kon nog iedereen 'zien en spreken'. Naarmate het lerarencorps groeide moest dit overleg meer en meer gestructureerd worden. Op personeelsvergaderingen werd geïnformeerd, bevraagd (lessenroosters, toezichten, examens, schooluitstappen, huisbezoeken, docimologisch experiment, gemengd onderwijs en VSO, uitbetaling wedde, desiderata, ...). Na 1975 kwamen enkele werkgroepen tot leven: 'pastoraal' (boekje met klasgebeden, klasmissen, vastenactie, bezinningsdagen, ...), 'studie' (attitudes op rapport, spreiding proefwerken, ...), ... Zuster Hildegard stelde vakhoofden aan die vooral coördineerden (leerboeken, bijscholing, ...). Leerkrachten kregen bijkomende uren klassendirectie en klassenraad. Rond 1981 werd een directieraad aangesteld die jaarlijks enkele keren vergaderde (naar welk zwembad, studiereis laatste jaars, leerlingen stilzwijgend in rij, kleding en make-up, ...). In de periode 1981-1983 werd het VSO op talrijke klassenraden en op pedagogische studiedagen voorbereid (1).

2.3.1. Nadat in 1958 het schoolpact was goedgekeurd diende zuster directrice in januari 1959 (2) voor elke afdeling een ‘verzoek om toelating tot subsidiëring' in. Vanaf het schooljaar 1959-1960 betaalde het ministerie immers, zij het met (veel) vertraging de wedden en keerde ook toelagen uit aan de school. Voor inrichtende macht en directie was het ook telkens (jaren) wachten op de brief van het ministerie met de voorlopige opname in de toelagenregeling, en vooral met de definitieve erkenning. Pas dan waren ze zeker dat ze de door de overheid al betaalde wedden en toelagen niet moesten terugbetalen en dat ze ook in de toekomst konden rekenen op subsidiëring.
Onaangekondigd kwamen staatsinspecteurs op bezoek. Sceptisch staande tegenover het katholiek onderwijs vonden sommigen wel een reden (3) om nog eens terug te moeten komen, volgend jaar of later, waardoor de definitieve erkenning alsmaar werd uitgesteld. Zo bezocht een inspecteur de handelsafdeling in mei 1959 en keerde maar terug in april 1961! Kwam daarbij dat 'het dossier wegens sabotage in de administratie, niet doorgegeven wordt aan de Hoge Raad' (4). Begrijpelijk dat, om de dossiers er toch 'door te krijgen', er vele brieven werden verstuurd, naar de administratie zelf, maar ook naar politici. Al in 1959 schreven de zusters: 'Mijnheer de Volksvertegenwoordiger, we zijn U zeer dankbaar voor de stappen die U zult doen om de erkenning van onze beide afdelingen te bespoedigen, daar we op financieel gebied, het zeer moeilijk gehad hebben en nog hebben voor het betalen van het personeel. Voor het nieuwe schooljaar moeten we instaan voor de wedden van zes leke leraressen; twee zusters leraressen werken gratis. Onze leerlingen kunnen nog niet genieten van de werkingskosten.'
Pas in 1961 kreeg de school het bericht dat het 1e, 2e, 3e en 4e leerjaar Snit en Naad, met terugwerkende kracht vanaf 1 september 1959 ‘tot de subsidiëring' was toegelaten. De definitieve opname in de toelagenregeling van de intussen 5 leerjaren vernam de school in een brief van 19 januari 1962. Ook de 4 jaren van de lagere handelsafdeling werden, met terugwerkende kracht vanaf 1 september 1959, eerst voorlopig in de toelagenregeling opgenomen en definitief door een ministrieel besluit van 21 januari 1963. Ondanks dat er in de periode tussen 1 september 1959 en de definitieve erkenning, door de overheid al wedden en toelagen werden uitbetaald, baarden in de eerste jaren na het schoolpact juridische onzekerheid, getalm met de betalingen en de congregatie die moest ‘voorschieten', inrichtende macht en directie meer dan eens grote zorgen. (5)
Daarna verliep de procedure toch wat vlotter, menselijker, zo ook de inspectie. De hogere cyclus Handel werd gesubsidieerd vanaf de oprichting op 1 september 1965 en definitief erkend in een brief van 24 juli 1970. Ook de erkenning van Bureelwerken verliep zonder onvoorziene hindernissen.
Telken jare zorgden ook de bezoeken van de verificateur voor wat spanning, vooral op het secretariaat. Bij een eerste bezoek controleerde hij hoofdzakelijk het aantal leerlingen, ingeschreven op 1 oktober, in het totaal maar ook per leerjaar. Waren er op die dag voor elke leerling de nodige attesten om in dat leerjaar te zitten? Mocht dat leerjaar wel gesplitst worden (b.v. 28 leerlingen voor een splitsing in de lagere cyclus Handel)? 1 oktober was dus een belangrijke dag. Vandaar dat het wel eens gebeurde dat men probeerde voor een bepaald leerjaar op die dag toch de norm te halen, wetende dat één of twee leerlingen daarna nog konden overstappen (terugkeren) naar de andere afdeling. Van dit bezoek hing dus de rechtmatigheid van de ingerichte lesuren af (en dus eveneens van de ambten) en ook de hoogte van de toelagen! Bij een tweede bezoek onderzocht de verificateur vooral de afwezigheden en eventuele overgangen van de ene afdeling of school naar de andere. Om de twee of drie jaar controleerde hij ook de boekhouding en ging hij vooral na of de toelagen werkelijk werden gebruikt voor het onderwijs.

2.3.2. Na de paasvakantie van 1959 konden leerlingen en leerkrachten naar een nieuw gebouw, met een refter, vijf klaslokalen en een atelierklas, kostprijs 2733529 fr.
 
 

De directrice kreeg in 1961 een bureau ‘buiten het klooster', aangebouwd aan de oudere vleugel langs de Kapelleweide (dat in 1976 bureau werd van de directie van de basisschool). In 1962 vonden 2 klassen van de handelsafdeling onderdak in een prefabgebouw (met ook 3 kleuterklassen) opgetrokken in de tuin van de zusters, tot ze in september 1966 konden verhuizen naar het gebouw uit 1959, nadat dit met een verdieping was verhoogd en ook was verlengd en aldus vergroot met een nieuwe keuken en negen klaslokalen (kostprijs 4797118 fr.), waarin de volgende jaren een fysica-/chemieklas (380998 fr.), een dactyloklas en in 1980 zelfs een 'taallabo' (714660 fr.) werden ingericht.
Al in 1961 had de inspectie geschreven: ‘Ook zou er een inspanning moeten gedaan worden om een ruimere turnzaal ter beschikking van de leerlingen te kunnen stellen.' (6) Die turnzaal (341587 fr.) werd in 1972 gebouwd naast de prefablokalen (met erboven drie klassen voor de lagere school). Waar had men intussen geturnd? Verschillende jaren in het oude pensionaat! (7)
In 1976 werden, op niveau van de eerste en tweede verdieping, de oude gebouwen verbonden met het gebouw uit 1959/1966 (4601873 fr.). Op de eerste verdieping kregen de leerkrachten een nieuwe leraarskamer en de directie en het secretariaat ruime lokalen; op de tweede verdieping kwam er een dactylolokaal en een groot klaslokaal bij.

 
 

Stilaan werd het echter duidelijk dat men naar de overzijde van de straat moest. Voor 2100000 fr. kochten de zusters (8) een vleugel van het vroegere meisjespensionaat (rechts van het 'gankske') die volledig werd afgebroken om er nieuwe lokalen te bouwen, die in september 1983 werden betrokken (kostprijs: 16372723 fr.).
Tot in de jaren (19)60 betaalde de congregatie grotendeels/volledig de bouwwerken. Maar (enkele jaren) na het schoolpact kreeg het I.M.I. werkingstoelagen voor zijn afdelingen Snit en Naad en Handel. Die werkingstoelagen werden beheerd vanuit het Ledebergse klooster, zodanig vereenzelvigd met de school dat het, volgens het archief van de zusters, het klooster was dat de (ver)bouwwerken van 1966 grotendeels betaalde. Vanaf 1969 vroeg de congregatie aan haar vele scholen 20% van de werkingstoelagen als gebruiksvergoeding te storten op een ‘bouwrekening' te Vorselaar. Met die gelden, aangevuld met nog steeds grote bedragen van de congregatie zelf, werd dan waar nodig bouwgrond gekocht, werd er gebouwd. De overblijvende 80% van de werkingstoelagen besteedde de school aan administratiekosten, verwarming, elektriciteit, water, … het onderhoud der gebouwen en gedeeltelijk ook aan de inrichting ervan. Gedeeltelijk, want naast de werkingstoelagen kon het I.M.I. ook uitrustingstoelagen aanvragen voor (60% van) de aankoop van naaimachines, strijktafel, stoomketel, … in de machine- en atelierklas; van schrijfmachines, dicteerapparaten, … in de dactyloklassen. In 1983 werd de eerste (apple-)computer aangekocht! Geleidelijk aan waren intussen klooster en school financieel ook duidelijk gescheiden.

2.3.3. Het busvervoer zorgde telken jare voor een flinke hap in de werkingstoelagen want de inkomsten van de buskaartjes waren sterk onvoldoende. (9)
In 1965 gebruikte het H.H. Harten-Instituut van Ninove o.a. het busvervoer om zich te kanten tegen de aanvraag van de hogere cyclus Handel; toch mocht van het bisdom de cyclus worden opgestart, maar: ‘Monseigneur vraagt met nadruk dat U door uw autobusdienst geen schade zoudt berokkenen aan Ninove en bijgevolg geen uitbreiding van deze dienst zoudt voorzien langs het hinterland van deze inrichting.' Soms was er ook interne kritiek, o.a. in 1982 van de leerlingenraad: ‘bus Strijtem-Liedekerke, vertrekt eerst en komt laat thuis'


  2.6. leerlingen, allen meisjes

schooljaar

1958-59
1959-60
1960-61
1961-62
1962-63
1963-64
1964-65
1965-66
1966-67
1967-68
1968-69
1969-70
1970-71
1971-72
1972-73
1973-74
1974-75
1975-76
1976-77
1977-78
1978-79
1979-80
1980-81
1981-82
1982-83

handel

61
69
78
75
74
70
86
109
133
168
165
175
191
183
189
188
182
181
190
195
195
188

snit en naad
kleding
68
73
70
80
76
76
76
77
84
91
90
93
99
85
77
67
75
76
79
87
87
88

bureelwerken












14
26
45
66
61
60
73
65
63
54
59

totaal

129
142/147(10)
148/158(10)
155
150
146
162
186
217
259
255
282
316
313
332
316
317
330
334
345
336
335
309
291
272

Nadat in 1965 begonnen werd met de hogere cyclus kende de handelsafdeling een sterke groei, de afdeling snit en naad hield goed stand en uiteraard verhoogde de komst van bureelwerken het totale aantal leerlingen, … tot 1980 waarna het leerlingenaantal op drie jaar daalde met 63!
 

2.7. - Eerste voorzitter van de oudervereniging was Johannes Clement, die opgevolgd werd door Louis Sonck. In 1974 werd Hubert De Bolle voorzitter, in 1977 Herman Van Houtem.


------------------------------------------------------------------------
(1) Bovendien moest er samengewerkt worden binnen de pas opgerichte scholengemeenschap Denderleeuw-Liedekerke-Roosdaal: in gezamenlijke informatieve sessies, op pedagogische studiedagen, in technische en pedagogische stuurgroepen, in vakvergaderingen, door het College van Inrichtingshoofden en door het College van Afgevaardigden van de Inrichtende Machten. Hoewel er veel werd vergaderd sputterde de samenwerking: de directies van het Mater Dei-Instituut en van het H. Kruiscollege waren het voortdurend oneens, het Sint-Gabriëlinstituut haakte af zodat de start van het VSO met een jaar werd uitgesteld tot 1 september 1984.
(2) Kanunnik A. Gillon van het Nationaal Verbond van het Katholiek Onderwijs schreef op 1 september 1960: ‘Wij vernemen dat Uwe aanvraag tot erkenning pas ingediend is in januari 1959.' Zinspeelde hij hiermede dat de directrice de aanvraag nogal laat indiende, later dan andere scholen?
(3) Zo haalde volgens de inspecteur de handelsafdeling de oprichtingsnorm niet en heeft de directrice, in een brief aan het ministerie van 13 juni 1961, geprobeerd de zienswijze van de inspecteur met cijfers te weerleggen.
(4) In een brief aan o.a. Karel Van Cauwelaert.
(5) Toen en ook de jaren daarop moest de directrice nog herhaaldelijk aan het ministerie vragen vergissingen van de weddedienst recht te zetten, achterstallen te betalen. Nog jaren was het in het onderwijs 'normaal' dat een beginnende leerkracht maanden op de eerste uitbetaling van haar/zijn wedde moest wachten.
(6) De inspectie schreef toen ook: ‘Voor de lessen in de muzikale opvoeding zou een vast klaslokaal en een bijzonder bord met getekende notenbalken moeten voorzien worden.' Dat bord is er gekomen! ook het klaslokaal?
(7) Bovendien werd er ook nog les gegeven in het huis op de hoek van Ledebergdries (tegenover het 'gankske').
(8) Verkoper was: Evenepoel Felicia, weduwe Tielemans, Kapelleweide, Roosdaal.
(9) Op de klassenraad van 11/1/83 stelde de directie de vraag of o.a. ‘frittenverkoop' kon bijdragen!
(10) Zonder of met de leerlingen van de uitdovende ‘coupe'. Bovendien waren er ‘opportunistische verschuivingen' van leerlingen van niet gesubsidieerd naar gesubsidieerd en vice versa, waardoor de aantallen schommelden volgens de bron.



3. 1983-

3.1. Op 4 juli 1989 werd de sociale zetel van de vzw 'Onderwijsinrichtingen Zusters der Christelijke Scholen West-Brabant' vanuit Vorselaar overgebracht naar de Reper Vrevenstraat 58 te 1020 Brussel. Ook de statuten werden toen gewijzigd: in de algemene vergadering en de beheerraad zetelden voortaan naast de afgevaardigde(n) van 'Vorselaar', ook de directies samen met vertegenwoordigers van de pastoraal en van de plaatselijke gemeenschap van de 12 scholen. In die Vorselaarse scholen werd traditioneel aan de directie een grote vrijheid en een groot vertrouwen gegeven inzake het te voeren beleid, maar de krijtlijnen ervan werden, vooral sinds 1992, getrokken in de Reper Vrevenstraat. Bovendien stond een afzonderlijke vzw CEBEG in voor het eigenaarsonderhoud en de grote bouwwerken. In het I.M.I. vergaderde het Plaatselijk Adviescomité nog enkele keren maar doofde in 1989 volledig uit, 'overbodig' geworden binnen de nieuwe structuur.

3.2. Op 1 september 1983 werd Hubert De Bolle directeur. Hij organiseerde een vlotte overgang van meisjesschool naar gemengde school, van een TSO en BSO-school naar een school met ook ASO-richtingen, van een kleine naar een middelgrote school. Op 1 september 1994 telde het I.M.I. voldoende leerlingen om een onderdirecteur te kunnen aanstellen, het werd Roger Poelaert. Op 31 augustus 1996 nam Hubert De Bolle ontslag en werd opgevolgd door Jan Denil. In 1997 werd Ann Poffyn adjunct-directeur, in 2005 opgevolgd door Sandra Goossens.

3.3.1.Drama op 27 april 1984! Een brand vernielde de turnzaal (en drie klassen van de lagere school en ook de kleuterschool), beschadigde het leraarslokaal, het bureel van de directeur, het secretariaat, ...

 

  3.3.2. Sporthal en klaslokalen
 
 
3.4. Richtingen
Een van de sterkste eigenheden van het I.M.I. was het uitgebreid keuzepakket waardoor de leerlingen naast de tradionele vakken van elke richting ook Italiaans, Spaans, Latijn, Grieks, ... konden volgen, maar evenens konden kiezen voor boekhouden, informatica, ... of een uitbreiding van chemie, fysica, ... Die ruime keuzemogelijkheden werden vanaf ca. 2000 geleidelijk aan sterk ingeperkt en bovendien werd in 2003-2006 Latijn in alle studiejaren aan de school ontnomen.

3.6. Leerlingen
 

evolutie van het aantal leerlingen van 1983 tot 2009

 

wordt aangevuld