boomstructuur: startpagina >
AZ-index > artikelindex D > artikel


Decorte Bert

Dichter, vertaler van meerdere literaire genres
Geboren te Retie op 2 juli 1915, kreeg hij officieel de namen Joannes Martinus Albert. In 1922 verhuisde het gezin naar Arendonk, waar vader een boomkwekerij opstartte die eerst floreerde, maar daarna in moeilijkheden kwam, waarop in 1932 werd verhuisd naar Turnhout. In 1927 begon zoon Bert in het Klein Seminarie te Hoogstraten aan de klassieke humaniora. In de poësis dacht hij er voor het eerst aan schrijver te worden (1). Op het einde van die poësis kreeg hij voor wiskunde een herexamen, slaagde niet, moest van school veranderen, mocht verder in het Sint-Jan Berchmanscollege te Mol. Daar was zijn leraar voor Frans en Duits E.H. Denijs Dille, musicoloog, die hem aanzette tot schrijven en de jaren daarop zijn gedichten positief kritisch beoordeelde. (2) Tijdens dat jaar te Mol besefte Bert echter dat er van verder studeren niets terecht zou komen en besloot werk te zoeken. Uiteindelijk werd hij in 1934 loopjongen in een winkel te Antwerpen, tot hij in 1935 naar Brussel werd opgeroepen, als soldaat, tot in 1936. Door bemiddeling van Marnix Gijsen werd hij eind 1937 aangeworven in Rijksdienst, departement Economische Zaken; al begin 1938 ging hij te Brussel wonen. In 1939 gemobiliseerd werd hij tijdens de meidagen van '40 licht gewond. Aldra na de capitulatie keerde hij terug naar Economische Zaken en bleef er tot in 1946, toen hij overstapte naar het Bestuur van de Schone Kunsten en de Letteren bij het Ministerie van Openbaar Onderwijs; in 1964 kreeg hij er de leiding/werd adviseur-hoofd van de Dienst Letteren (en Toneel) (3). ‘Kulturele papierverlegger' noemde hij zichzelf (4). In 1980 ging hij met pensioen.

In 1935 publiceerde Bert Decorte zijn eerste gedichten, o.m. het gedicht ‘De Ruiters' in ‘Forum' waarover Gerard Walschap in ‘Hooger Leven' zeer lovend was. In 1937 overrompelde hij in zijn eerste dichtbundel ‘Germinal', de lezer met een stortvloed aan beelden, een krachtig ritme, een ‘heidens' levensgevoel en een schier volmaakte taalvaardigheid. Marnix Gijsen schreef in ‘De Standaard': ‘Sedert Paul Van Ostaijen, is Bert Decorte het eerste phenomeen, het eerste wonderkind, dat wij in de Vlaamsche poëzie zien verschijnen.' De provincie Antwerpen bekroonde de bundel als het beste debuut van het jaar. (5) Drie jaar na ‘Germinal' leek het dichterlijk geweld al enigermate over en vertoonde zijn nieuwe dichtbundel ‘Orfeus gaat voorbij' de wending naar verinnerlijking en verdieping, een evolutie bevestigd in zijn volgende bundel ‘Een stillere dag', uitgegeven in 1942. Voorbij de toch onoplosbare problemen vond hij de rust en genoot het voorbijgaand ogenblik met het gezond verstand van een wijze, zonder echter zijn zin voor het betrekkelijke der dingen, zonder de humor te verliezen, en zonder de melancholie af te wijzen …, minnaar geworden van het leven dichtte hij, steeds met een grote taalvirtuositeit, in 1943 de bundel ‘Refreinen' en vooral de jaren daarop de bundel ‘Aardsch Gebedenboek', uitgegeven in 1947. ‘En toen vond ik dat ik niet verder meer kon zonder me te herhalen' (6) (7) Daarna verliep het dichten dan ook sporadischer, her en der verschijnend, pas in 1964 samengebracht in de bundel ‘Profaan brevier', in 1970 in ‘Kruis of Munt', in 1985 in ‘Kop of Letter' en in 1989 in ‘De nieuwe rederijkerij', maar deze bundels kenden niet meer de weerklank van zijn debuut. In 1974 werden zijn ‘Verzamelde gedichten' uitgegeven. Ook schreef hij in 1971 over zichzelf in ‘Kortom', trok in 1974 ‘Per vers door Vlaanderen' en schreef in 1986 over zijn lotgevallen als soldaat in ‘Knobbelgeschiedenis'. Al in 1938 vertaalde hij enkele verzen van Rimbaud, de aanloop om vele jaren lang poëzie, maar ook andere literaire genres uit een andere taal naar het Nederlands over te brengen, vaak ze te herscheppen: poëzie, o.a. gedichten van Charles Baudelaire (1946) en François Villon (1948, 1956), ‘Japanse motieven' (1956); de schelmenroman ‘Lazarillo de Tormes' (1963); kunstkritische en kunsthistorische teksten o.a. ‘Onze Bruegel' (1969), ‘Léon Spilliaert' (1981); zelfs opera-libretti o.a. ‘Der Rosencavalier' (1982), ‘Hansje en Grietje' (1983). Ook hertaalde hij o.a. het Middelnederlandse ‘Marieken van Nijmegen' of schreef speelse verzen bij de houtsneden van het oude volksboek ‘Thijl Ulenspieghel' (1986).
Hij kreeg er verschillende literaire prijzen voor o.a. in 1944/1945: Beernaertprijs voor ‘Refreinen'; 1946: Driejaarlijkse Staatsprijs voor poëzie voor ‘Een stillere dag'; 1947: Prijs voor Letterkunde van de provincie Brabant voor ‘Aardsch Gebedenboek'; 1948: Koopalprijs voor zijn vertaling van ‘Balladen' van François Villon; 1989: Sabamprijs voor zijn hele oeuvre.
Bert Decorte was o.a. bestuurslid van de ‘Vereniging Vlaamse Letterkundigen', werd eind 1971 lid van de ‘Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde' en was er gedurende het jaar 1981 voorzitter van. Ook was hij lange tijd redacteur van het ‘Nieuw Vlaams Tijdschrift' en meerdere jaren ging hij in Vlaanderen spreken ‘over en uit eigen werk'.

Op Economische Zaken leerde hij Delphine De Backer (9/3/1915-2/5/2002) (8) uit Strijtem kennen, ‘uit haar dorp het eerste meisje dat te Brussel op een kantoor ging werken.' (9) Zij trouwden op 18 april 1942; in het gezin werden vier dochters en twee zonen geboren, die opgroeiden in hun woonhuis aan de Lostraat te Strijtem-Roosdaal op nr. 174.
 

19/3/1944
 

‘Eigenlijk ben ik in Strijtem beland door het feit dat ik tijdens de oorlog ben getrouwd en de vader van mijn vrouw niet wilde dat zijn dochter te Brussel op een kamertje met een halve artiest van honger zou omkomen. Ik was er tegen omdat ik Brussel … altijd een stad naar mijn gading heb gevonden, …', en toch, ‘Ik belandde dus op de boerebuiten in de goeie lucht en ik moet bekennen dat het mij geen kwaad deed wat meer te kunnen eten …' Bovendien was het de beste manier ‘om me te behoeden tegen de bekoring een rol te willen spelen in het befaamde literaire leven.' (10)

Meer dan eens vertelde Bert Decorte ‘dat het vooral de beweeglijkheid in de lijnen van het Brabantse landschap zijn die mij bevallen en als ik het niet mis heb moeten er parallellen te trekken zijn tussen de dartelheid van deze glooiingen en de versificatie van sommige van mijn gedichten.' (11)
In de bundel ‘Een stillere dag' dichtte hij:

 

 

Het Brabants landschap heb ik lief; het land
van Brabant moet mijn ziele zeer gelijken,
daar 't glooit en glinstervlekken toont, daar 't brandt
en bruist als ik, of plots de bronst voelt wijken

van nevelblauwheid, bijna violet,
als de avond neigt over de heuvelbuiken…

 

  Een jaar later, in de bundel 'Refreinen' klonk het:
 

 

Brabant, zwaar land, maar lenig in uw heupen,
waar gij met glooiend lichaam nederligt,
daaraan ik drinken kan met volle zeupen
de lome minnewijn van warmte en licht.

……
Uw boeren zijn bonken als stronken in 't broek,
uw vrouwen zijn uw best gebouwde bomen;

……
want deze bodem deint zich uit als dromen,
kleurige schakering, vlekken zonneschijn
op verre hoogten, dan een kort ravijn,

……
Niets is vernepen hier, benauwd en smal;
de hemel legt zijn volle handen open.

……
Wat zou hij elders liefde willen kopen,
die hier onder een vlier een vrouw in de armen sloot?

 

 

Het Davidsfonds van Roosdaal huldigde Bert Decorte op de plaatselijke boekenbeurzen van 1989 en van 2000; op 7 april 1990 eerde ook het gemeenstebestuur hem, als ereburger van Roosdaal. In 1991 werden gedichten van hem opgenomen in de dichtbundel ‘Wandtapijt van aarde en lucht', uitgegeven in samenwerking met het gemeentebestuur van Roosdaal. Sinds mei 2010 prijkt zijn gedicht 'Het wit en wankel Kind' op een gedichtenzuil bij de kapel van de zeven beuken.

Nogal zwijgzaam, wat tegendraads, sterk relativerend, wars van zelfoverschatting, verfoeiend de ‘kruiwagen' van macht en voorspraak (12), … zo typeerde hij zichzelf. (13) De opmerking van sommigen dat dit voor hem blijkbaar ‘geen beletsel was zich in te werken in de kapelletjes waar de lakens worden uitgedeeld' pareerde hij met, 'nooit gevraagd erbij te zijn' (14). Anderen had hij te vriend, o.a. Hubert Van Herreweghen aan wie hij een gedicht opdroeg, waarin hij ook zichzelf omschreef:

 

 

jij kent die kale Bert Decorte wel,
die evenzeer bij zonneschijn als regen,
hoezeer hem zon of regen tegensteekt, hoe fel
hij alles haat, aan alles schenkt zijn zegen,

 

 

Vele jaren was Bert Decorte bestuurslid, zelfs voorzitter van de Strijtemse dorpsfanfare ‘De ware Vaderlanders', wat hem ook wel typeerde, zelfs kort en goed!

Bert Decorte overleed te Strijtem-Roosdaal op 13 oktober 2009.


-------------------------------------------------------------------------
(1) Bert Decorte: ‘Kortom', Orion/Desclée De Brouwer, 1971, 188 p. Aldaar p. 74.
(2) Er groeide een vriendschap tussen beiden, getuige o.a. het gedicht dat Bert Decorte aan Dille opdroeg.
(3) Enkele jaren later ondergebracht bij het zelfstandig geworden Ministerie van Cultuur.
(4) Gaston Durnez: ‘Een wonderkind van de poëzie' in ‘De Standaard' van 19,20/8/1995.
(5) Groot verdediger van de toekenning aan Bert Decorte was August Van Cauwelaert . Nochtans had deze zich enkele maanden voordien verzet tegen de opname van het gedicht ‘Neftali' in ‘Dietsche Warande en Belfort'.
(6) Bert Decorte: o.c. (noot 1). Aldaar p. 187.
(7) Erik van Ruysbeek schreef: ‘... dat in het leven van Bert Decorte, omstreeks zijn veertigste jaar, het poëtische scheppen schijnt op te houden, een harmonieus eindpunt bereikt, …Een literaire stilte die reeds vroeg in zijn oeuvre wordt aangekondigd ...' in ‘Bert Decorte', Min. Nationale Opvoeding en Cultuur, Helios, Antwerpen, 1966, 36 p. Aldaar p. 5.
(8) Zus van de laatste burgemeester van Strijtem, Louis De Backer.
(9) Bert Decorte: o.c. (noot 1). Aldaar p. 167.
(10) Bert Decorte: o.c. (noot 1). Aldaar pp. 166 tot 167.
(11) Bert Decorte: o.c. (noot 1). Aldaar p. 168.
(12) Bert Decorte: ‘Terugblik op Germinal' in ‘Dietsche Warande en Belfort', van februari 1989.
(13) Bert Decorte: o.c. (noot 1). Op vele bladzijden in het boek.
(14) Bert Decorte: o.c. (noot 1). Aldaar p. 171.