boomstructuur: startpagina >
AZ-index > artikelindex H > artikel


Hof te Kattem

Vroegere abdijhoeve op de Vrije Eigendom Sint-Aichardus
 

1. Eeuwenlang lag het ‘Allodium Sancti Aychadrii apud Cathem'; de Vrije Eigendom van Sint-Aichardus op Kattem. Oorspronkelijk bezit van het klooster van Haspres, dat het ca. 1023 afstond aan de abdij Sint-Vedastus (Sint-Vaest) te Atrecht (Arras). Nadat de jonge abdij van Ninove het recht had verkregen de pastoor van o.a. Borchtlombeek-Strijtem aan te duiden wou ze ook Kattem inpalmen. Vanaf 1151 kocht ze er gronden, verwierf er het meierschap en toen ze in 1162 van de Sint-Vaastabdij de heerlijke macht over het Allodium kocht was haar wereldlijke greep op de Vrije Eigendom op Kattem een feit. De abt was er de feodale heer geworden, met bestuurlijke en rechterlijke macht, vrij van leenroerigheid zowel van de hertog van Brabant (waartoe het Allodium behoorde) (1), als van de graaf van Vlaanderen (waarbinnen Borchtlombeek lag).

 

1666: ‘Op 7 februari werd toegestaan dat Geert De Cooman ten zijnen koste zal mogen een steenput delven op ons gebied te Kattem om na te gaan of er aldaar geen steen voorradig zou zijn. In geval vandien zal hij mogen gebruik maken van deze put voor het gepresteerde werk, ten ware wij hem voor zijn arbeid zouden willen vergoeden.'
‘De 14de november heeft de baljuw van Borchtlombeek E.H. Ambrosius voor het gerecht gedagvaard, omdat hij in onze hoeve te Kattem het gekapt hout bij opbod aan de meestbiedende verkocht. De baljuw pretendeerde het recht te hebben alleen tot zulke verkopingen over te gaan.' De abt won het geding. (2)

 

De abt duidde er de meier aan en ook de schepenen (3) (4). Hij werd in het bestuur van de Vrije Eigendom vaak vertegenwoordigd door de pastoor van Borchtlombeek-Strijtem, monnik van de abdij. Deze zat op Kattem meestal de schepenbank/het laathof voor, dat recht sprak, ook optrad bij de verkoop of ruil van gronden, o.a. in 1405, 1423, 1488. Die pastoor woonde eveneens binnen de Vrije Eigendom, zodat ook de plaatselijke kerkelijke macht er gevestigd was. Dopen, huwelijken of overlijdens van bewoners van Kattem-Eigendom noteerde hij op aparte bladzijden in de registers van de parochie Borchtlombeek. Ander aspect van de zelfstandigheid van het Allodium was dat die bewoners geen belastingen betaalden aan de hertog of de graaf (5). Pas ca. 1795 kwam er een abrupt einde aan dit zeggenschap (en ook aan de eigendommen) van de abdij van Ninove op Kattem.

 
 

Op basis van de kaart van de Dyn van 1641-1652: 1 Hof te Cathem/ 2. Eerste pastorie met huis en hof/ 3. Kapel van Sint-Aichardus (6)/ 4. Latere pastorie ook met hof/ 5. Monninckbosch/Monnikbos werd pas laat gerooid/ 6. Boschstraete/ 7. Ook Boschstraete, huidige Abeelstraat/ 8. Huidige Reusestraat/ 9. Huidige Populierstraat/ 10. Huidige Monniksbosstraat/ 11. Cloisterstraete, huidige Herststraat/ 12. Voetbeek/ 13. Huidige Bosstraat.
Daarbinnen was de abdij in 1652 eigenaar van ca. 360 dagwand akker- en weidegrond en minstens 40 dagwand Monninckbosch. Dus minstens 400 dagwand of 100 ha .
Opmerkelijk:
- Op de kaart van de Dyn worden ook verschillende kunstmatig aangelegde vijvers aangeduid. Daar werden vooral karpers opgezet, die later gevist werden.
- Aan de grens met Pamel stond de galg, wat laat vermoeden dat de abdij er ook de hoge justitie uitoefende.

 

2. Het hof te Kattem (Monnikbosstraat 5 Roosdaal)
* Het is dan ook niet verwonderlijk dat op Kattem een van de vroegste abdijhoeven verrees. Al in 1184 wordt er gewag van gemaakt. Het hof werd bestuurd door een hofmeester (magister curie), hoogstwaarschijnlijk een monnik van de abdij. Of het ambt van hofmeester ook samenging met het pastoorschap blijft (voorlopig) onduidelijk. Het werk op het hof, op de velden, in de bossen werd voornamelijk verricht door lekebroeders van de abdij.
In de 15e eeuw kwam daar verandering in toen het hof werd verpacht. Volgens een ‘staat van goederen' van de abdij, opgemaakt in 1492, was het hof met 228 dagwand akkergond en weide, toen verpacht aan de gebroeders Adriaan en Claas de Paeu, voor een termijn van 12 jaar. De huurprijs bedroeg 8 pond groten per jaar. Wel gaf de abdij hen ieder jaar 6 stuivers voor de stof van hun tabbaert. Aan de hertogelijke jagerij van Bosvoorde moesten de pachters bovendien jaarlijks een cijns van 16 gulden betalen. Ook waren de pachters ertoe verplicht voor de jacht bestendig 2 ‘hasewinden' te houden. In 1494 schonk abt Guilielmus de Castro 18 gulden bij het doopsel van het zoontje van pachter Adriaan.
In 1571 was Anthonius De Witte pachter. Hij pachtte van de abdij ‘het hoff van Cathem metten huysinghen, schueren, stallen ende cothen' en natuurlijk ook akkerland (215 dagwand) en meers en weide (49 dagwand 25 roeden), binnen maar ook buiten de Vrije Eigendom. Zijn jaarlijkse pachtprijs bedroeg 81 Rijnsgulden. In natura moest hij eveneens 50 zakken koren en 30 zakken haver aan de abdij leveren, terwijl ook de pastoor ieder jaar 25 zakken koren, 4 zakken tarwe en 6 zakken haver van hem kreeg. Wat de pachtprijs in feite verhoogde tot 640 Rijnsgulden 16 schellingen. Bovendien pachtte Antonius ook de graantienden van de Vrije Eigendom, van Borchtlombeek en van bepaalde velden in Strijtem en Lennik, waarvoor hij eveneens in zakken graan moest betalen.
In 1624 was Reynier Heymans pachter op het hof te Kattem. In 1646 pachtte zoon Jan Heymans 130 dagwand, waarvan ongeveer 90 dagwand abdijgrond binnen de Vrije Eigendom (7), plus nog talrijke gronden erbuiten. Voor het hof en de abdijgronden betaalde hij aan de abdij jaarlijks 450 gulden, plus een hamel en een vet lam. Jan was van 1646 tot 1649 en van 1652 tot 1669 ook schepen, van 1650 tot 1651 eveneens meier van Kattem en Borchtlombeek. (8)
In 1649 was Jan de Ro pachter. Zijn grafsteen staat heden tegen de buitenmuur van het koor van de kerk van Borchtlombeek en vermeldt: ‘Hier light begraven den eersamen Jan de Ro die sterf den 21 junius 1670 ende die eerbaere Gertruyt Goossens syn huysvrau die sterft den 14 september int jaer 1653 Bidt voor de zielen'.
In 1676 schreef de abt: ‘De 15de december werd ons hof te Kattem verhuurd aan N. Van den Borre, voor een termijn van negen jaar, aan 300 guldens per jaar voor de eerste drie jaren en 400 guldens voor de zes volgende.' (2) Hij werd opgevolgd door zoon Jacques, die in 1704 ook schepen werd. Een zoon werd monnik in de abdij van Ninove.

 

Meer dan eens moest het hof lasten dragen van legers:
1683: Pachter Jacques Van den Borre diende bij de gemeente Strijtem een rekening in van de inkwartiering van ‘2 ruiters met paard, 1 vrouw en 3 kinderen, een wagen met 3 paarden en 2 knechten'. Niet ongewoon in die dagen dat vrouw en kinderen van de soldaten in geregelde dienst het leger op zijn verplaatsingen volgden. Het valt ook op dat de rekening in Strijtem ingediend werd en niet in Borchtlombeek. Teken dat de pachter zich meer betrokken voelde bij Strijtem/Brabant?

 
Ook de grafsteen van pachter Peeter Van Nechel staat heden tegen de buitenmuur van het koor van de kerk van Borchtlombeek en vernoemt hem als: ‘Hier light begraeven den eersaemen Peeter van Nechel in syn leven schepenen ende pachter in het hof te Catthem die gestorven is den 18 julius 1729 ende de eerbaere Joosina Van den Borre syne huysvrouwe die sterft den 18 januari 1730 ...' Hij werd opgevolgd door Philippus Van Nechel.
 

In 1757 schreef de abt: ‘Ook nog hetzelfde jaar werd ons pachthof te Kattem hersteld en een muur van de woning werd afgebroken.' (2)

 

ca. 1760
 

In 1772 nam Barbara Thienpont, weduwe van Dionysius Carlier de pacht over van de weduwe van Philippus voor ‘950 gulden tsjaers' en hernieuwde de pacht in 1781. Na haar dood in 1786 pachtte haar zoon Jan-Baptist Carlier verder en verlengde nog in 1794 de pacht voor 1000 gulden per jaar. Hij was dus de laatste pachter van de abdij alhier. (9) In 1790 was hij peter van een nieuwe klok in Borchtlombeek.

* In de jaren na 1795 kwan het hof te Kattem in handen van adellijke families, in 1911 van de familie Van der Meerschen en daarna door huwelijk van de families Maigret de Priches en de Biolley.
De pachters van de volgende 100 jaar zijn (voorlopig) niet gekend, tenzij Adriaan Sergooris, gehuwd met Clara Anna Steppe pachter is geweest op het hof te Kattem.
In 1896 werd Jan-Baptist Van Wilderode pachter op het hof. Volgens de overeenkomst van pachtovername bewerkte hij ongeveer 25 ha grond en nog wat bos en boomgaard. In 1919 nam Joseph Van Wilderode de pacht van zijn vader Jan-Baptist over. Uit een landbouwtelling van 1940 blijkt dat het hof toen 20 ha akkerland, 17,5 ha weiland groot was en 9 paarden, 15 melkkoeien, 30 andere runderen, 4 varkens, 19 biggen en 42 vleeskippen telde. Joseph Van Wilderode was ook verschillende jaren burgemeester van Borchtlombeek. Hij overleed in 1947 en het hof werd voorlopig verdergezet door zijn vijf kinderen. In 1952 werd dan de jongste zoon, Marcel pachter van het hof te Kattem. Rond 1950 kwam de eerste tractor op het hof en al snel volgden zaai- en oogstmachines. Ook het aantal varkens nam toe.

*In 1967 werd het hof samen met ongeveer 2 ha grond aangekocht door Marcel Van Wilderode, maar uiteraard werd een grotere oppervlakte uitgebaat: in 1972 ongeveer 45 ha akkergrond en weide.

 

ca. 1974 werd het hof nog als volgt beschreven: ‘... boerderij met geplaveid erf en gebouwen in los verband, in kern opklimmend tot XVIII doch met bakstenen gevels uit XIX vermoedelijk ter vervanging van leembouw waarvan echter geen sporen overblijven. Ten westen, L-vormig boerenhuis met verhoogde begane grond en zadeldak (pannen); rechth. vensters onder houten latei met lekdrempels van arduin en twee steekboogvensters van baksteen. In de zijgevel, een steekboogkelderdeur in een omlijsting van arkozeachtige zandsteen (XVIII). In de woonkamer, oude moer- en kinderbalken en een bakstenen schouw. Ten noorden, varkensstal met lage gekoppelde deuren in arduinen omlijstingen. Ten oosten, koestal van baksteen met zadeldak (pannen); afwerking met vlechtingen; enkele oude deuromlijstingen van arkozeblokken. Ten zuiden, langschuur van baksteen onder zadeldak (pannen) XIX.'(10)
Midden de jaren (19)70 werd een nieuw woonhuis gebouwd. (11)

 
foto 2016
 

Terwijl de akkerbouw ongeveer constant bleef werd er vooral geïnvesteerd in de varkenshouderij: nieuwe stallen werden gebouwd en de varkensstapel groeide nog aan.
Toen zoon Erik Van Wilderode in 1976 in het bedrijf stapte, besliste men ook vleesvee te houden. Maar o.a. door de invoering van het eerste mestactieplan begin de jaren (19)90 besloot men met vleesvee te stoppen en verder te specialiseren in de varkenshouderij, met o.a. een ammoniakemissiearme stal waardoor de stikstofuitstoot van de varkens wordt teruggedrongen.
In 2007 kwam zoon Pieter Van Wilderode mee in het bedrijf. De varkenskweek werd behouden maar, mede door de malaise in de varkenssector, besliste men vooral in te zetten op akkerbouw: aardappelen, tarwe, maïs en suikerbieten. Het bewerkte areaal is heden (2015) gegroeid tot ongeveer 360 ha! Er werd een beheersovereenkomst afgesloten in het kader van erosie en natuur. Nieuwe machines werden in dienst genomen o.a. een erosieploeg, GPS en sectieafsluiting bij de sproeier; er kwamen reservoirs voor de opvang van regenwater, waarmee dan gesproeid wordt. Loodsen werden gebouwd en/of ingericht o.a. voor het bewaren van de aardappelen.
Heden is het hof te Kattem een gemengd landbouwbedrijf van akkerbouw en varkenshouderij. Uiteraard moet de opbrengst ervan een afzet vinden: enerzijds door een goed evenwicht tussen contractteelt, termijnmarkten en vrije markt en anderzijds door de verkoop van varkensvlees op de hoeve.(12)

 
(13)
 

---------------------------------------------------------------
(1) In het abdijarchief zit er nog een oorkonde uit 1360 waarin de heer van Gaasbeek de abdij ontslaat van erfdienstbaarheden op het hof.
(2) In ‘Aantekeningen uit de dagboeken van de prelaten der Norbertijnenabdij van Ninove', Ripova, 1995, 200 p.
(3) De schepenen zelf worden ‘laten' van de abdij genoemd, vandaar schepenbank of laathof.
(4) Drie onder hen zetelden ook, zij het onder een aparte rolle, in de schepenbank van Borchtlombeek! Tot frustratie soms van de Borchtlombeekse notabelen. Zo weigerde baljuw Romanus 't Kindt in 1740 te Borchtlombeek de eed af te nemen van schepenen uit Kattem.
(5) Tot ergernis van de Borchlombekenaren. Er werd dan een ‘minnelijke' schikking uitgedokterd; in 1697 betaalde de Vrije Eigendom 1/3 van de Borchtlombeekse belastingen. Maar dit akkoord werd dan binnen de Vrije Eigendom gecontesteerd en het kwam in 1742 zelfs tot een proces dat de Eigendommers verplichtte 125 gulden te betalen, veel minder dan in 1697.
(6) Die kapel werd al meer dan 100 jaar geleden afgebroken.
(7) Relatief weinig abdijgrond omdat het pastoorshof vele dagwanden bewerkte en ook omdat aan kleinere boeren stukken werden vercijnsd.
(8) Waren tussen Reynier en Jan ook nog Joos en Adriaan Dauwe er pachter?
(9) Volgens de staat van goed uit 1787 bedroeg de eigendom van de abdij behorend bij het hof te Kattem 48 bunder en 61 roeden of 49 ha 22 a 60 ca.
(10) In ‘Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen' 2n Vlaams Brabant Halle-Vilvoorde, 1977, 825 p. Aldaar p. 76.
(11) Door de fusie begin 1977 van Borchtlombeek met Roosdaal en Liedekerke kwam het Hof te Kattem onder Liedekerke, maar bij K.B. van 11/12/1982 werd het hof overgeheveld naar Roosdaal.
(12) 25/3/2015: verslag van het Vlaams infocentrum land- en tuinbouw.
(13) Strooibrief 2003.